Fictietheorie_algemeen

Fictietheorie
1 / 41
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2-4

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Fictietheorie

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Doelen
  • Fictie en non-fictie
  • Verhaalopbouw
  • Vertelde tijd en verteltijd
  • Vertelperspectieven
  • Hoofdpersonen, bijfiguren en persoonsbeschrijving

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Fictie & non-fictie
  • Fictie is een verzonnen verhaal, is er ook realistische fictie?
  • Non-fictie is een niet-verzonnen verhaal

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Waar denk je aan bij fictie?

Slide 4 - Mind map

This item has no instructions

Verhaalopbouw
  • Chronologisch (tijdsvolgorde) en niet-chronologisch
  • Tijdsprongen en flashbacks

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

vertelde tijd vs verteltijd
vertelde tijd > tijd die in beslag wordt genomen door de gebeurtenissen in het verhaal. 
Verteltijd > leestijd, uitgedrukt in bladzijden.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

uitleg
vertelde tijd                             tempo                           verteltijd
1 uur                                            traag                              300 pagina's
70 jaar                                        snel                                3 pagina's
1 jaar                                           gemiddeld                  250 pagina's
 

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Vertelperspectief


  • ik-vertelperspectief
  • personaal vertelperspectief / hij-/zij-vertelperspectief
  • auctoriaal vertelperspectief /alwetende verteller
  • wisselend perspectief


Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Vertelperspectief
Het standpunt van waaruit een verhaal wordt verteld.

  • ik-vertelperspectief
  • hij/zij-vertelperspectief
  • alwetend/auctoriaal perspectief
  • meervoudig perspectief

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Hoofdpersonen en bijfiguren
Hoofdpersoon
Bijfiguur
Uitgebreid beschreven
minder uitgebreid beschreven
Heeft een duidelijk doel
Helper/tegenstander
Je leest het verhaal vanuit hem/haar

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

persoonsbeschrijving
Als je een personage beschrijft, 
let je op verschillende elementen  : 
uiterlijk: gezicht, haar, kleding
1
karaktereigenschappen
2
kenmerken: leeftijd, gezondheid, rijk of arm
3
relaties met anderen : familie, vrienden, klasgenoten, vijanden,...
4

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Kijk naar de volgende korte film 'Raak'


Noteer in een nieuw word document:

  1. Wat is het vertelperspectief?
  2. Wat kom je te weten over de hoofdpersonen?
  3. Wie zijn de bijfiguren?
  4. Verhaalopbouw: hoe begint de film?
  5. Verhaalopbouw: hoe eindigt de film?
  6. Is dit fictie of non-fictie?
  7. Wat is de vertelde tijd? 

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Slide 13 - Video

Kijk samen met de klas naar de filmscène van deze korte film Raak.

In deze film wordt het verhaal verteld vanuit meerdere vertellers
Hoe schrijf je een goede recensie?
In een recensie zijn de volgende onderdelen belangrijk:
- je beoordeling in aantal sterren of cijfer
- jouw mening, waarbij je beoordelingswoorden gebruikt en met argumenten onderbouwt.

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Beoordelingswoorden
Om een oordeel te kunnen 
geven maak je gebruik van 
beoordelingswoorden.


Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Argument

De uitleg waarom je iets vindt, noemen we een argument.

Signaalwoorden: want, omdat, namelijk, 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Metafoor
Een vergelijking zonder verbindingswoord en zonder object
Voorbeeld:
  • Als student woonde ik in een zwijnenstal.
Spreekwoorden en uitdrukkingen zijn ook vaak metaforen
Voorbeeld:
  • Daar komt de aap uit mouw.

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Beeldspraak: metafoor
Sommige metaforen gebruik je zo vaak, dat je ze niet meer als metafoor ziet:

Die informatie kun je wel op het web vinden. 
Een web is een dradenstelsel van een spin, maar als metafoor verwijst het naar het interbet. 

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Metafoor
Metafoor: het object wordt vervangen door het beeld.

Bijvoorbeeld: Niemand wil vrienden zijn met zo'n heks. 



Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Fictie is
A
waargebeurd
B
zelf meegemaakt
C
verzonnen
D
gedichten

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Non-fictie is
A
Gedichten
B
Een sprookje
C
Romans
D
Kranten

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Een voorbeeld van een fictietekst is
A
advertentie
B
roman
C
filmtrailer
D
gebruiksaanwijzing

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Wat is GEEN vertelperspectief?
A
ik-verteller
B
wij-verteller
C
hij/zij-verteller
D
alwetende verteller

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

De speelfilm De Titanic is
A
niet realistische fictie
B
realistische fictie
C
non-fictie
D
niet realistische non-fictie

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Een metafoor
A
is figuurlijk
B
is letterlijk

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Als een schrijver schrijft over zijn eigen leven dan heet dat
A
realistische fictie
B
realistische non-fictie
C
niet realistische fictie
D
non-fictie

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een metafoor?
A
Een frisse neus halen
B
Ze zei: 'bla dat zwarte jurkje blabladiebla'
C
Zijn sterrenmooie moeder
D
Rick praat met de golven

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Ik-vertelperspectief
Hij/zij-vertelperspectief
Alwetend vertelperspectief
Hij ziet zijn vrienden lopen in de stad. 
Hij zou er morgen wel achterkomen dat je het leven niet kan plannen.
Wat een vervelend mannetje, denk ik terwijl ik zijn kop koffie inschenk. 

Slide 28 - Drag question

This item has no instructions

Harry Potter is een voorbeeld van
A
non-fictie
B
niet realistische non-fictie
C
realistische fictie
D
niet realistische fictie

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Chronologisch is
A
bepaalde hoeveelheid tijd
B
de gebeurtenissen in de juiste volgorde
C
een voorval dat al eerder is gebeurd
D
een vooruitblik in het verhaal

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Verteltijd of vertelde tijd:
De tijd die voorbij is gegaan in het verhaal is 3 jaar.
A
Verteltijd
B
Vertelde tijd

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

vertelperspectief
hoofdpersoon
ik-verhaal
hij/zij-verhaal
karakter
uiterlijk
verandering
Droom ik nog steeds? Ik blijf een paar seconden doodstil liggen.
Nadia bleef staan. "Hallo, ik ben Nadia". Bas liet zijn blik over de tengere brunette glijden.

Slide 32 - Drag question

This item has no instructions

Flashback is
A
vooruitblik in het verhaal
B
een bepaalde tijd in het verhaal
C
een voorval dat eerder is gebeurd
D
een tijdsprong maken

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Is het vertelperspectief betrouwbaar?
A
Ja
B
Nee

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Bij een metafoor heb je....
A
Alleen maar een beeld
B
Een beeld en de werkelijkheid
C
Altijd het woordje ALS
D
A, B en C zijn allemaal goed.

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Een tijdsprong is
A
een stuk tijd waarover niets wordt vermeld
B
een verhaal wordt niet verteld in de juiste volgorde
C
een vooruitblik in het verhaal
D
een verhaal speelt zich af in een bepaalde tijd

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Verteltijd of vertelde tijd:
Hij heeft er 15 minuten over gedaan om het fragment te lezen.
A
Verteltijd
B
Vertelde tijd

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Een hoofdpersonage
A
er wordt alleen over het uiterlijk verteld
B
er wordt alleen over het innerlijk verteld
C
er wordt alleen over het gevoel verteld
D
een combinatie van A, B en C

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Wat wordt er bedoeld met vertelperspectief?
A
hoeveel personages er in het verhaal zitten
B
de structuur van het verhaal
C
vanuit welk oogpunt het verhaal verteld wordt
D
wat de hoofdpersoon doet in het verhaal

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Verteltijd of vertelde tijd:
"een hoofdstuk uit een boek"
A
verteltijd
B
vertelde tijd

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een metafoor?
A
Een spreekwoord gebruiken
B
Een vergelijking maken
C
Twee dingen naast elkaar zetten
D
Object en beeld laten samenvallen

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions