3: Je legt je mening uit met minimaal twee argumenten
4: Je geeft elk argument een aparte alinea
5: Je gebruikt twee signaalwoorden voor de opsomming van je argumenten (kies uit: ten eerste, bovendien, ook)
6: Je gebruikt twee signaalwoorden die een reden aangeven (omdat, want, daarom)
7: Je wisselt korte en lange zinnen af. Je maakt lange zinnen met voegwoorden (dus, of, en, als)