5.6 Spieren en beweging

5.6 Spieren en beweging
- Voorkennis
- Uitleg over spieren/beweging
- Opdrachten maken
Leerdoelen
5.6.1 Je kunt de bouw en functie van glad spierweefsel en dwarsgestreept spierweefsel beschrijven.
5.6.2 Je kunt de bouw en werking van spieren beschrijven.
5.6.3 Je kunt de effecten van training, revalidatie en dopinggebruik uitleggen.
1 / 19
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

5.6 Spieren en beweging
- Voorkennis
- Uitleg over spieren/beweging
- Opdrachten maken
Leerdoelen
5.6.1 Je kunt de bouw en functie van glad spierweefsel en dwarsgestreept spierweefsel beschrijven.
5.6.2 Je kunt de bouw en werking van spieren beschrijven.
5.6.3 Je kunt de effecten van training, revalidatie en dopinggebruik uitleggen.

Slide 1 - Slide

Welke afbeelding toont spierweefsel?
A
B
C

Slide 2 - Quiz

Sleep de termen van spierweefsels naar de bijbehorende afbeelding. 
Dwarsgestreept spierweefsel
Hartspierweefsel
Glad spierweefsel

Slide 3 - Drag question

Welke twee stoffen hebben de mitochondriën nodig om energie vrij te maken om te bewegen?

Slide 4 - Open question

Hoe heet het onderdeel waarmee een spier vastzit aan het bot?

Slide 5 - Open question

Spiervezel
Spierschede
Spierbundel
Pees

Slide 6 - Drag question

Wat is de antagonist van de biceps?
A
armbuigspier
B
armstrekspier

Slide 7 - Quiz

Wat is glycogeen?
A
Lange ketting van glucosedeeltjes
B
Lange ketting van glucagon
C
Stresshormoon
D
Hormoon dat zorgt voor daling suikerspiegel

Slide 8 - Quiz

Glucose wordt omgezet in glycogeen en opgeslagen in de lever, waar wordt glycogeen nog meer opgeslagen?
A
In spieren
B
In je hart
C
In je longen
D
In je vetweefsel

Slide 9 - Quiz

Glad spierweefsel bestaat uit langwerpige spiercellen
- elke cel een celkern
- in huid, darmen, longen, iris, bloedvaten
- autonome zenuwstelsel
- trage samentrekking
- onvermoeibaar
Dwarsgestreept spierweefsel bestaat uit spiervezels (versmolten spiercellen)
- meerde celkernen per vezel
- vast aan het skelet/huid
- animale zenuwstelsel
- snelle samentrekking
- vermoeibaar

Slide 10 - Slide

Skeletspieren
Van groot naar klein:
Spier -> spierbundel -> spiervezel -> spierfibril -> filamenten

Motorische eenheid:
Bewegingszenuwcellen die aan gesloten zitten op de skeletspieren via motorische eindplaatjes

Skeletspieren zitten vast aan het skelet met een pees

Slide 11 - Slide

Spierfibrillen
Spierfibrillen zijn opgebouwd uit 2 eiwitten:
  1. Myosine (donkere band)
  2. Actine (lichte band)

Deze eiwitten vormen filamenten (grote eiwitdraden)

Tussen spierfibrillen bevinden zich:
  • Glycogeenkorrels (opgeslagen glycogeen)
  • Mitochondriën (nodig voor verbranding)



Slide 12 - Slide

Samentrekken van spieren
Hoe trekt een spier samen:
  1. Een bewegingszenuwcel geeft impuls door via een motorische eindplaatje
  2. De spierfibrillen gekoppeld aan het motorisch eindplaatje trekken samen
  3. De myosine- en actinefilamenten schuiven in elkaar (hierdoor wordt de spier korter)

Nodig: energie (glycogeen --> glucose)

Slide 13 - Slide

Werking van een spier

Slide 14 - Slide

Antagonisten
Armbuigspier (bicep): zit vast aan schouderblad en spaakbeen.
Armstrekspier (tricep): zit aan de achterkant van de bovenarm. Zit vast aan schouderblad en ellepijp. 

Antagonisten: spieren waarvan de samentrekking een tegengesteld effect heeft.

Een spier kan niet 'zelf' ontspannen, dus andere spier nodig voor tegengestelde richting!

Slide 15 - Slide

Langzame spiervezels (rood)
- goed doorbloed
- veel mitochondriën
- niet snel vermoeid
- sneller/krachtiger samentrekken

Verhouding vooral
genetisch bepaald!
Maar wel te trainen.
Snelle spiervezels (wit)
- minder doorbloed
- minder mitochondriën
- sneller vermoeid

Slide 16 - Slide

Training:
Training

Krachttraining
: kweken meer spiercellen, resultaat: meer filamenten in de spiervezels = zwaarder en meer kracht.
Duurtraining: betere doorbloeding van de spieren = meer zuurstof aanvoer en afvoer afvalstoffen (spieren worden niet zwaarder).

Warming up
- stimulatie bloedsomloop -->  aanvoer zuurstof en glucose. 
Cooling down
- rustige afname hartslag
- afvoer afvalstoffen (minder stijfheid en spierpijn)



Slide 17 - Slide

Doping
Doping = spierversterkende middelen.

Anabole steroïden: toename spierweefsel, aanmaak rode bloedcellen (vergroot spiermassa en uithoudingsvermogen). Vergelijkbare werking met testosteron.


Slide 18 - Slide

5.6
Opdracht 65 t/m 71


Klaar?
- leerdoelen uitwerken
- oefenen op biologiepagina.nl
Leerdoelen
5.6.1 Je kunt de bouw en functie van glad spierweefsel en dwarsgestreept spierweefsel beschrijven.
5.6.2 Je kunt de bouw en werking van spieren beschrijven.
5.6.3 Je kunt de effecten van training, revalidatie en dopinggebruik uitleggen.

Slide 19 - Slide