H1 unité 4: samenvatting unité 4

H1C
Levi
Vinne
Dent
Arlain
Jayson
Cédric
Kiara
Kim
Alicia
Kirsten
Elin
Fredrique
Denver
Sem
Evi
Eva
Suus
Elijah
Milan
Iris
Mats
Nathaniel
Jaivy
Docent
1 / 45
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

H1C
Levi
Vinne
Dent
Arlain
Jayson
Cédric
Kiara
Kim
Alicia
Kirsten
Elin
Fredrique
Denver
Sem
Evi
Eva
Suus
Elijah
Milan
Iris
Mats
Nathaniel
Jaivy
Docent

Slide 1 - Slide

Mercredi le 2 avril- 
C

Slide 2 - Slide

UNITÉ 4
JE LEERT:
  • zinnen ontkennend maken (nee, niet)> ne......pas
  • onregelmatig ww: ALLER (gaan)
  • woordjes en zinnen over WONEN
  • je moet zelf kunnen vertellen waar je woont, hoe je woont, met wie je woont, de weg kunnen vragen en wijzen en je kamer beschrijven.

Slide 3 - Slide

Wat hebben we allemaal al geleerd dit schooljaar?

*Unité 1: werkwoord: être & lidwoord: un, une, des, le, la , l', les
* Unité 2: werkwoord: avoir & bezittelijk voornaamwoord:
 mon, ma, mes, ton, ta, tes, son, sa ses
* Unité 3: regelmatig werkwoord -ER
aimer, détester, adorer, préférer + le/la/l'/les + ZN

Slide 4 - Slide

Focusleren
Apprendre 3 en 5 page 134
timer
5:00

Slide 5 - Slide

 opbouw van de luistertoets
  • Exercice A | 2 Dialogues : Luister naar de twee gesprekken. Kies het juiste antwoord.
  • Exercice B | Prononciation: Luister naar de gespelde namen en plaatsen. Schrijf ze op.
  • Exercice C | Compréhension semi-authentique: Geef voor elk gesprek aan naar welke bestemming wordt gevraagd.

Slide 6 - Slide

Luister naar de gespelde namen en plaatsen. Schrijf ze op. 


1 …
2 …
3 …
4... 

Slide 7 - Slide

Luister naar de gespelde namen en plaatsen. Schrijf ze op. 


1 Jacques
2 Mulhouse
3 Tanguy
4 Courbevoie

Slide 8 - Slide

I Luister naar de twee gesprekken. Kies het juiste antwoord. 

Gesprek 1 gaat over de route naar Théâtre de Verre / Théâtre Ribière.








Slide 9 - Slide

Luister  naar gesprek 1. Kies het juiste antwoord.
.
3 A □ Romain weet de route uit zijn hoofd.
    B □ Romain zoekt de route op zijn telefoon.
4 A □ Romain zegt dat de route makkelijk is.
    B □ Romain zegt dat de route moeilijk is.
5 A □ De vrouw moet linksaf.
    B □ De vrouw moet rechtsaf.
  

Slide 10 - Slide

6 Wat zegt de vrouw helemaal aan het einde van het gesprek over de route?
...........................................................................................................

Slide 11 - Slide

Où est le chien ? Où est le chat ?
Maak bij elk van de vijf plaatjes een Franse zin met een voorzetsel. Kijk goed of het om een huis of tafel gaat.
Begin je zin met le chien est of le chat est
Bijvoorbeeld : Le chien est dans la maison.

 
1. _______________________________________________
2. _______________________________________________
3. _______________________________________________
4. _______________________________________________








Slide 12 - Slide

ontkennning

Slide 13 - Slide

ne/n' ....... pas
Waar staat ne/n'...pas?

ne/n' staat voor de persoonsvorm en pas staat erachter.

Slide 14 - Slide

Ne ... pas

Slide 15 - Slide


Maak ontkennend:
Elle va à l'école
A
Elle n'va pas à l'école
B
Elle ne va pas à l'école
C
Elle ne pas va à l'école

Slide 16 - Quiz


Maak ontkennend:
Simon habite à Orléans.
A
Simon ne habite pas à Orléans
B
Simon n' habites pas à Orléans
C
Simon ne habite pas à Orléans
D
Simon n' habite pas à Orléans

Slide 17 - Quiz

Ontkenning. Hoe zet je "C'est" in de ontkenning?
A
Ce n'est pas
B
Ce ne est pas
C
C'est ne pas
D
C'n'est pas

Slide 18 - Quiz


Maak ontkennend:
Adrien a déménagé. 
A
Adrien ne a pas déménagé.
B
Adrien n'a pas déménagé.
C
Adrien a ne déménagé pas.
D
Adrien n'a déménagé pas.

Slide 19 - Quiz

Vertaal:
Tu ne manges rien?
A
Eet je niet?
B
Eet je niets?
C
Eet je nooit?
D
Eet je nog niet?

Slide 20 - Quiz

Beantwoord de vraag ontkennend in het Frans.
Tu aimes les sushis ? Non, je.............................

Slide 21 - Open question

Beantwoord de vraag ontkennend in het Frans.
Tu habites à Paris ? Non, je.............................

Slide 22 - Open question

Beantwoord de vraag ontkennend.
Ta mère est française? Non, .....

Slide 23 - Open question

Beantwoord de vraag ontkennend.
C'est facile? Non, ......................

Slide 24 - Open question

Slide 25 - Video

aller
Weet je nog hoe je het werkwoord aller moet vervoegen?

Slide 26 - Slide

Het werkwoord "aller" aller = gaan. Net als être (zijn) en avoir (hebben) is aller een onregelmatig werkwoord
Aller
Gaan 
Je vais
Ik ga
Tu vas
Jij gaat
Il / elle  va
Hij / zij ga
on va
wij gaan
nous allons
wij gaan
vous allez
jullie gaan / u gaat
Ils / Elles vont
zij gaan

Slide 27 - Slide

Nous .... (aller)

Slide 28 - Open question

elles (aller)

Slide 29 - Open question

ils ... (aller)

Slide 30 - Open question

Hij (aller)

Slide 31 - Open question

Aller (Vous)
timer
0:20

Slide 32 - Open question

Het werkwoord 'aller' (gaan)
schrijf het rijtje van 'aller'

Slide 33 - Open question

HOE LEER JIJ EIGENLIJK WOORDJES?

Slide 34 - Open question

vertaal: Ik houd van Frans.
Dat is mijn favoriete vak.






Ik hou van Frans.
Dat is mijn favoriete vak

Slide 35 - Open question

Slide 36 - Video

Maak aantekeningen in je schrift

Slide 37 - Slide

Le pronom possessif

Het bezittelijk voornaamwoord
voorbeelden

C'est mon lit.                                = Het is mijn bed. 

Mon cours commence.             = Mijn les begint. 

Voilà ma chambre.                     = Hier is mijn slaapkamer.

Je suis dans ma piscine.           = Ik ben in mijn zwembad.

Je mange avec mes parents.  = Ik eet met mijn ouders. 

J'ai fini mes devoirs.                   = Ik heb mijn huiswerk af. 




Slide 38 - Slide

De vorm van het bezittelijk naamwoord hangt af van het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.
Het gaat om het bezit zelf, en niet de eigenaar.

Le lit           C'est mon lit.


La chambre          Voilà ma chambre.


Les parents          J'adore mes parents.

Slide 39 - Slide

De vorm van het bezittelijk voornaamwoord

Vraag: wat valt je op?

Slide 40 - Slide

Voorbeelden
1. Marc est mon frère.
2. Ils sont tes parents.
3. C'est sa maison
4. C'est notre voiture.
5. Ce sont vos livres.
6. Ils font leurs devoirs.
un, le,
l'
une, la,
l'
des, les
mnl + vrl
mnl + vrl
mnl + vrl

Slide 41 - Slide

Vul het juiste bez. vnw. in:
Je suis dans ... (mijn) chambre. (vrl)
A
mon
B
ma
C
ta
D
sa

Slide 42 - Quiz

Vul het juiste bez. vnw. in:
George est ... (haar) cousin. (=neef dus mnl)
A
son
B
sa
C
ta
D
ton

Slide 43 - Quiz

Vul het juiste bez. vnw. in:
J'aime ...... (mijn) école (vrl).
A
ma
B
ton
C
sa
D
mon

Slide 44 - Quiz

Wat heb je deze les geleerd?

Slide 45 - Mind map