Welvaart Begrippen H1-5

Begrippen Welvaart H1 - 5
1 / 42
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Begrippen Welvaart H1 - 5

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat is BBP?
A
Y = C+I +O
B
Y = C+ I + (O-B) + E-M
C
Y = C+I +O+ E-M
D
Y =C + (S-I) + (O-B) + E-M

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen het bbp en het groen bbp
A
Het groen bbp wordt gebruikt om de welvaart te meten
B
Bij het groen bbp wordt er rekening gehouden met milieuvervuiling
C
Bij het bbp wordt er rekening gehouden met duurzaamheid
D
Het groen bbp wordt wereldwijd gebruikt

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Nominale BBP met 4% gestegen en reële BBP met 2% gestegen.
De prijzen zijn
A
Gestegen
B
Gedaald
C
Gelijk gebleven
D
Kun je niets over zeggen

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Wat is toegevoegde waarde?
A
Alle productiefactoren samen.
B
Alle beloningen van de productiefactoren samen.
C
Alle bedrijven van de productiefactoren samen.
D
Alle aantallen van de productiefactoren samen.

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

De arbeidsinkomensquote geeft aan hoeveel procent van het nationaal inkomen verdiend wordt door loon.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Wat is kapitaalintensief?
A
Mensen doen vooral het werk.
B
Machines doen vooral het werk.

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Economische groei is de groei van de
A
toename van de inkomens in een land.
B
toename van de totale productiewaarde (goederen en diensten) in een land

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

De productiewaarde van de overheid is gelijk aan de loonsom van alle werkenemers die in dienst zijn bij de overheid.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Waar is de potentiële productie van afhankelijk?
A
Arbeidsproductiviteit en hoeveelheid kapitaal
B
Productiefactoren en de allocatie daarvan
C
Hoeveelheid arbeid, TFP en hoeveelheid kapitaal
D
Kapitaalproductiviteit en arbeidsproductiviteit

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

De economische structuur wordt bepaald door:
A
Aanbodkant van de economie (KANO)
B
Vraagkant van de economie (Bestedingen)

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Wat is structurele werkloosheid?
A
Dat een bepaald beroep helemaal verdwijnt en dus veel mensen op straat staan
B
Dat mensen elk deel van het jaar dezelfde soort werkloosheid hebben
C
Dat mensen arbeidsongeschikt zijn
D
Dat mensen slechts in bepaalde seizoenen geen werk hebben

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

65. In de figuur (zie bron) is de productiefunctie van een land
weergegeven in jaar 1 (de doorlopende lijn) en
in jaar 10 (de onderbroken lijn).

De totale factorproductiviteit is in deze 10 jaar gestegen met …
A
5%
B
25%
C
50%
D
100%

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

5. Is er bij deze productiefunctie sprake van oplopende/ constante of afnemende meeropbrengsten bij kapitaal?
A
oplopende
B
constante
C
afnemende

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Als er in een fabriek sprake is van overbezetting zal het inzetten van een extra arbeidskracht leiden tot
A
Toenemende meeropbrengsten
B
Constante meeropbrengsten
C
Afnemende meeropbrengsten

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Structuurbeleid is overheidsbeleid dat zich richt op het vergroten van de potentiële productie.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Het overheidssaldo wordt ook wel het saldo op de lopende rekening genoemd.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

In een periode van onderbesteding gaat de overheid de belasting verlagen. Het overheidssaldo:
A
Stijgt
B
Daalt

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Het saldo E-M stelt voor:
A
Overheidssaldo
B
Uitvoersaldo
C
Particulier spaarsaldo
D
Nationaal spaarsaldo

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Welke identiteit geeft het nationale spaarsaldo weer?
A
(S-I) + (B-O)
B
E-M
C
(S-I) -(B-O)
D
S-I

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Het nationaal spaarsaldo bedraagt
A
0
B
6
C
12
D
-1

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Wat geeft de output gap aan?
A
Afwijking werkelijke bbp van potentiële bbp
B
Hogere werkloosheid dan structurele werkloosheid

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Wat is anticyclisch begrotingsbeleid?
A
Verhoogt belastingen bij hoogconjunctuur
B
Stimuleert economie bij laagconjunctuur

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Als de effectieve vraag groter is dan de productiecapaciteit dan kan bestedingsinflatie het gevolg zijn.
A
juist
B
onjuist

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Het aanbod van arbeid noemen we ook wel
A
Beroepsgeschikte bevolking
B
Potentiële beroepsbevolking
C
Beroepsbevolking
D
Werkzame beroepsbevolking

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Het aanbod van arbeid bestaat uit
A
Werkzame beroepsbevolking & vacatures
B
Werkzame beroepsbevolking & werklozen
C
Werkzame beroepsbevolking

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

De vraag naar arbeid bestaat uit
A
de werkgelegenheid
B
de werkgelegenheid + werklozen
C
de werkgelegenheid + vacactures

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Het werkloosheidspercentage bereken je zo
A
werklozen / potentiële beroepsbevolking x 100%
B
werklozen / beroepsbevolking x 100%
C
werklozen / werkzame beroepsbevolking x 100%

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Bij een krappe arbeidsmarkt
A
is de vraag naar arbeid relatief groot tov het aanbod
B
is het aanbod van arbeid relatief groot tov de vraag

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Bij een ruime arbeidsmarkt
A
zullen de lonen snel stijgen
B
zullen de lonen minder snel stijgen

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Conjuncturele werkloosheid
A
Is dat iemand werkloos is omdat het tijd kost om een geschikte baan te vinden
B
Is dat iemand werkloos is door een daling in de bestedingen
C
Is dat iemand werkloos is omdat de productie naar het buitenland is verplaatst

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Voorbeelden van flexibele arbeidscontracten zijn
A
Alleen contracten voor oproep- en invalkrachten
B
Alleen contracten voor oproep-, inval-, en uitzendkrachten
C
Tijdelijke contracten en contracten voor oproep- , inval- en uitzendkrachten

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Een zzp'er heeft
A
wel recht op werknemersverzekeringen
B
geen recht op werknemersverzekeringen

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Het toenemend aantal flexwerkers en zzp'ers zorgt voor
A
Opwaartse druk op de lonen
B
Neerwaartse druk op de lonen

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Tot de flexibele schil worden ook arbeidscontracten voor onbepaalde tijd gerekend.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 35 - Quiz

B, Hiertoe behoren alleen mensen met een tijdelijk contract.

Bron: LWEO, werk en werkloosheid, 1e druk, vraag 4.15
Informele sector
A
onderwijs
B
vrijwilliger
C
zwart werk
D
zelfvoorziening

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions


Wat is de informele sector?
A
Werken zonder dat je in een net pak hoeft rond te lopen
B
Illegaal werk, waarbij je belasting ontduikt
C
Werk doen waar je geen opleiding voor nodig hebt
D
Uitkering proberen te krijgen door te doen alsof je arbeidsongeschikt bent

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

180. Welvaart heeft een positief of een negatief verband met een aantal andere variabelen. Welke van onderstaande zaken beïnvloeden de welvaart negatief?
A
Ongelijkheid
B
Risico
C
Vrije tijd
D
Overheidspaternalisme

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Welvaart is:
A
de mate waarin je met je beschikbare middelen in je behoeften kan voorzien
B
de situatie waarbij ondernemingen goederen maken die mensen willen hebben
C
als 'armoede de wereld uit is'
D
als iedereen een hoog inkomen heeft

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn externe effecten?
A
Gevolgen van de producten van goederen
B
Gevolgen voor het milieu door het produceren van producten
C
Gevolgen voor het milieu door productie van producten maar geen gevolg voor de prijs van dit product
D
Geen van de alle goed

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen het bbp en het groen bbp
A
Het groen bbp wordt gebruikt om de welvaart te meten
B
Bij het groen bbp wordt er rekening gehouden met milieuvervuiling
C
Bij het bbp wordt er rekening gehouden met duurzaamheid
D
Het groen bbp wordt wereldwijd gebruikt

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions

Waarom is het BBP de maatstaf voor de welvaart in enge zin ?
A
omdat het BBP de som van alle toegevoegde waarde van een land is
B
omdat welvaart in enge zin om koopkracht gaat
C
D
omdat het internationaal afgesproken is

Slide 42 - Quiz

This item has no instructions