Modalverben

Die Modalverben
Lernziele: 
  • Aan het eind van de les, kan ik de acht modale werkwoorden opnoemen.
  • Aan het eind  van de les, kan ik de betekenis van elk modaal werkwoord uitleggen.
  • Aan het eind van de les, kan ik de modale werkwoorden correct vervoegen in de tegenwoordige tijd.
  • Aan het eind van de les, kan ik de modale werkwoorden correct toepassen in een zin.
  • Aan het eind van de les, ben ik voorbereid op de toets van morgen.
1 / 16
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Die Modalverben
Lernziele: 
  • Aan het eind van de les, kan ik de acht modale werkwoorden opnoemen.
  • Aan het eind  van de les, kan ik de betekenis van elk modaal werkwoord uitleggen.
  • Aan het eind van de les, kan ik de modale werkwoorden correct vervoegen in de tegenwoordige tijd.
  • Aan het eind van de les, kan ik de modale werkwoorden correct toepassen in een zin.
  • Aan het eind van de les, ben ik voorbereid op de toets van morgen.

Slide 1 - Slide

Welche Modalverben gibt es?

Slide 2 - Mind map

Was ist hier kein Modalverb?
A
wollen
B
dürfen
C
werden
D
wissen

Slide 3 - Quiz

Was ist hier kein Modalverb?
A
dürfen
B
müssen
C
können
D
gehen

Slide 4 - Quiz

Verbinde die Modalverben mit der richtigen Bedeutung.
kunnen
mogen, toestemming hebben
leuk vinden, lusten, aardig vinden
moeten (verplicht)
moeten (wil van een ander of vraag naar een mening)
weten
willen
willen (wens)
mögen
dürfen
können
müssen
sollen
wissen
wollen
möchten

Slide 5 - Drag question

Ich ______ (kunnen) gut schwimmen.

Slide 6 - Open question

Ihr ________ (moeten) jeden Tag zur Schule gehen.

Slide 7 - Open question

_________ (mogen) du heute länger aufbleiben?

Slide 8 - Open question

Meine Eltern _________ (willen) nächstes Jahr nach Italien reisen.

Slide 9 - Open question

Thomas ________ (moeten) mehr für die Prüfung lernen.

Slide 10 - Open question

______ du bitte das Fenster schließen?
A
Magst
B
Kannst
C
Darfst
D
Musst

Slide 11 - Quiz

Lisa _______ am Samstag unbedingt ihre Großeltern besuchen.
A
will
B
darf
C
muss
D
mag

Slide 12 - Quiz

Ihr ______ eure Handys während des Unterrichts nicht benutzen.
A
sollt
B
dürft
C
mögt
D
wisst

Slide 13 - Quiz

Wat vind je nog moeilijk?

Slide 14 - Mind map

Ik ben klaar voor de toets!
Zeker, ik ken de stof en heb voldoende geoefend.
Ik begrijp alles, ik moet alleen nog een beetje herhalen
Ik begrijp alles, maar moet nog wel wat leren
Ik moet nog veel doen.
Ik moet nog beginnen met leren.

Slide 15 - Poll

Kurzer Rückblick
Lernziele:
  • Aan het eind van de les, kan ik de acht modale werkwoorden opnoemen.
  • Aan het eind van de les, kan ik de betekenis van elk modaal werkwoord uitleggen.
  • Aan het eind van de les, kan ik de modale werkwoorden correct vervoegen in de tegenwoordige tijd.
  • Aan het eind van de les, kan ik de modale werkwoorden correct toepassen in een zin.
  • Aan het eind van de les, ben ik voorbereid op de toets van morgen.

Slide 16 - Slide