Grammatica/spelling les 6

Grammatica/spelling les 6 en 7
Vandaag:
-Journaal
-1e uur: congruentie
-3e uur: stoffelijk bijvoeglijk naamwoord en leestekens

1 / 47
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Grammatica/spelling les 6 en 7
Vandaag:
-Journaal
-1e uur: congruentie
-3e uur: stoffelijk bijvoeglijk naamwoord en leestekens

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Maak een samenstelling van de woorden:
volk + zanger

Slide 4 - Open question

Maak een samenstelling van de woorden:
trap + huis

Slide 5 - Open question

Maak een samenstelling van de woorden:
buur + ruzie

Slide 6 - Open question

Congruentie

Slide 7 - Slide

Lesdoel
  • Je kunt het onderwerp en de persoonsvorm op elkaar afstemmen (congruentie). (p. 218)

Slide 8 - Slide

Wat is de persoonsvorm in de zin?
"We hebben geen centen, maar spullen."
A
we
B
hebben
C
centen
D
spullen

Slide 9 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de zin?
"We maken geld om het te verbrassen."
A
we
B
maken
C
geld
D
te verbrassen

Slide 10 - Quiz

Wat is het onderwerp in de zin?
"We maken geld om het te verbrassen."
A
we
B
maken
C
geld
D
te verbrassen

Slide 11 - Quiz

Congruentie
Het onderwerp en de persoonsvorm horen bij elkaar. De persoonsvorm geeft aan wat het onderwerp doet. Daarom moeten ze beide enkelvoud of beide meervoud zijn. Dat heet congruentie tussen het onderwerp en de persoonsvorm.

Slide 12 - Slide

Kijk het filmpje!

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Wat is het belangrijkste woord in het onderwerp:

de kudde koeien
A
de
B
kudde
C
koeien

Slide 15 - Quiz

Wat is goed / congruent?
A
De kudde koeien staan in de wei
B
De kudde koeien staat in de wei

Slide 16 - Quiz

Wat is het belangrijkste woord in het onderwerp:

een groep wielrenners
A
een
B
groep
C
wielrenners

Slide 17 - Quiz

Wat is goed / congruent?
A
Een groep wielrenners viel vlak voor de finish
B
Een groep wielrenners vielen vlak voor de finish

Slide 18 - Quiz

Wat is het onderwerp in:

Men zien/ziet door de bomen het bos niet meer
A
Men
B
zien/ziet
C
door de bomen
D
het bos

Slide 19 - Quiz

Wat is goed / congruent?
A
Men zien door de bomen het bos niet meer
B
Men ziet door de bomen het bos niet meer

Slide 20 - Quiz

Wat is het belangrijkste woord in het onderwerp:

een partij sportschoenen
A
een
B
partij
C
sportschoenen

Slide 21 - Quiz

Wat is goed / congruent?
A
Een partij sportschoenen spoelde aan op het strand
B
Een partij sportschoenen spoelden aan op het strand

Slide 22 - Quiz

Opdrachten
Maak van 6.3 opdracht 1 en 2 (online)

Slide 23 - Slide

3e uur: stoffelijk bijvoeglijk naamwoord en leestekens

Slide 24 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord
Bijvoeglijke naamwoorden
- zeggen iets over het zelfstandig naamwoord  


Wat kun je zeggen over deze auto?

                              

Slide 25 - Slide

Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zegt van welk materiaal het zelfstandig naamwoord gemaakt is.

Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord eindigt op 'en'.
De ring is van goud. --> Het is een gouden ring.
De broek is van katoen. --> Het is een katoenen broek.

Als het bewerkt materiaal is, schrijf je alleen het woord.
De tas is van plastic. --> Het is een plastic tas.
Het shirt is van nylon. --> Het is een nylon shirt.

Slide 26 - Slide

Wat is de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

hout – In de tuin staat een … schuurtje.
A
hout
B
houte
C
houten

Slide 27 - Quiz

Wat is de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

wol – Die … jas is lekker warm.
A
wol
B
wollen
C
wolle

Slide 28 - Quiz

Wat is de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

plastic – Je moet betalen voor een … tasje.
A
plastic
B
plastice
C
plasticen

Slide 29 - Quiz

Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
Je kunt ook een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruiken.
Het eten is aangebrand. --> Het aangebrande eten.
Het kind is gered. --> Het geredde kind.

Je schrijft het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord zo kort mogelijk, tenzij het niet anders kan voor de uitspraak.
De weg is verbreed. --> De verbrede weg.
Die sokken zijn gekrompen. --> De gekrompen sokken. 

Slide 30 - Slide

Schrijf het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord op.

het (verbouwen) huis

Slide 31 - Open question

Schrijf het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord op.

het (bederven) vlees

Slide 32 - Open question

Waarom leestekens en hoofdletters?




    hoofdletters en leestekens maken een tekst makkelijker om te lezen je weet waar een zin begint en eindigt hierdoor begrijp je de tekst ook beter

    Slide 33 - Slide

    PUNT (1)

    - Aan het einde van een zin


    Vandaag heb ik een hockeywedstrijd.

    Morgen ga ik logeren bij mijn vriendin.

    Slide 34 - Slide

    PUNT (2)

    - Na of in sommige afkortingen


    d.m.v.  -  m.a.w.  -   i.i.g.

      dhr.  -  mevr.  -   mej.

    max.   -  min.  - nr.

    Slide 35 - Slide

    VRAAGTEKEN

    - Na een vraag


    Tot hoe laat ben jij vanmiddag op school?

    'Neem jij mijn tas mee?' vroeg Martijn.

    Slide 36 - Slide

    UITROEPTEKEN (1)

    - Om aan te geven dat iemand luid roept


    'Ik ben beneden!' klonk het vanuit de kelder.



    Slide 37 - Slide

    UITROEPTEKEN (2)

    - Om een bevel of waarschuwing aan te geven

    Halt, of ik schiet!

    Stop!

    Kom hier!



    Slide 38 - Slide

    KOMMA (1)

    - Als pauzeteken in een zin

    Onze hond eet erg veel, toch is hij niet dik.



    Slide 39 - Slide

    KOMMA (2)

    - Tussen de delen van een opsomming


    Ik hou van verschillende smaken ijs: chocolade, vanille, bosvruchten en cookie&caramel.



    Slide 40 - Slide

    KOMMA (3)

    - Tussen twee persoonsvormen


    Als je fietsband lek is, moet je ervoor zorgen dat het gemaakt wordt.



    Samengestelde zin
    Van twee zinnen is één zin gemaakt. Een zin heeft dan twee persoonsvormen.

    Slide 41 - Slide

    Juist of onjuist:
    Mercedes
    A
    Juist
    B
    Onjuist

    Slide 42 - Quiz

    Trema (") 

    In sommige woorden schrijf je een trema. Je voorkomt zo dat je een woord verkeerd uitspreekt.


    Het trema maakt duidelijk dat het om twee klinkers gaat,

    en niet om één klank.


    poëzie / zeeën / beëindigen 

    Slide 43 - Slide

    Koppelteken (-) 

    In sommige woorden schrijf je een koppelteken. Je voorkomt zo dat je een woord verkeerd uitspreekt. 

    familie-uitje / auto-expert / maar knieoperatie

    Het koppelteken schrijf je tussen twee delen van een samenstelling:


    1. als de samenstelling verkeerd uitgesproken kan worden

    2. in aardrijkskundige aanduidingen

    3. voor of na een hoofdletter

    4. na een cijfer, afkorting of symbool


    Slide 44 - Slide

    Neem het onderstreepte woord over en zet een trema of koppelteken waar dat moet.
    Yvette denkt dat ik haar naaap met mijn nieuwe kapsel.
    ______

    Slide 45 - Open question

    Neem het onderstreepte woord over en zet een trema of koppelteken waar dat moet.
    Jasmina's vader ging naar de BMWdealer voor een proefrit.
    ___________

    Slide 46 - Open question

    Opdrachten
    Maak tot slot van 6.3 opdracht 17, 19 t/m 21

    Slide 47 - Slide