week 14 - werkwoorden, a, en, de

Buenos días
¿Qué vamos a hacer?
  • repetir vocabulario
  • corregir deberes
  • verbos ir y coger
  • a, en, de
  • tarea final
Lunes, 31 de marzo
1 / 17
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Buenos días
¿Qué vamos a hacer?
  • repetir vocabulario
  • corregir deberes
  • verbos ir y coger
  • a, en, de
  • tarea final
Lunes, 31 de marzo

Slide 1 - Slide

Deberes
7 april
SO vocabulario blok 1, 2, 3
gramática: regelmatige werkwoorden, estar, a, en, de
Zie D-toets in LessonUp.


Slide 2 - Slide

Actualidades
¿Qué opináis vosotros? ¿Cuáles son tus argumentos?
Uit een nieuwe enquête blijkt dat bijna een derde van de Spanjaarden de terugkeer van de verplichte militaire dienst steunt. Deze dienstplicht werd in 2001 afgeschaft door de regering van José María Aznar. Daarnaast zijn vier op de tien inwoners van Spanje het ermee eens dat alle burgers een basis militaire opleiding zouden moeten krijgen.

Slide 3 - Slide

QUIZ TIME

Slide 4 - Slide


Slide 5 - Open question


Slide 6 - Open question


Slide 7 - Open question


Slide 8 - Open question


Slide 9 - Open question


Slide 10 - Open question


Slide 11 - Open question


Slide 12 - Open question

A corregir
ej.6.9, 6.10, 6.11
werkblad

Slide 13 - Slide

ir, coger
LEERDOEL: onregelmatige ww.
LA: pág. 106
yo
él, ella, ud
nosotros
vosotros
ellos, ellas, uds
ir (gaan)
voy
vas
va
vamos
vais
van
coger (nemen)
cojo
coges
coge
cogemos
cogéis
cogen
Para ir al colegio, cojo el autobús. 
En las vacaciones vamos en avión. 

Slide 14 - Slide

en = in/op
          in combinatie met een vervoersmiddel betekent het                  "met"
          en coche = met de auto, en bici = met de fiets
a    = naar (geeft een richting aan) 
           voy a Madrid, voy al colegio
de  =  van/uit (afkomst/oorsprong)
           Vengo de Barcelona.
¡OJO!
te voet = a pie
ir de vacaciones
ir de viaje
LEERDOEL: voorzetsels
LA: pág. 106

Slide 15 - Slide

A practicar
1. Yo voy a la clase de español _________________ (met de auto).
2. Carlos y yo _____________ de excursión ___________________(met de fiets).
3. Julia, ¿tú ______________ al centro ________________(te voet)?
4. Mi familia ______________ a Perú de vacaciones ________________(met het vliegtuig)
5. Me gusta __________________ a Ibiza __________________(met de boot)
6. Los turistas _________________ al centro histórico de la ciudad ____________________(met de bus)
7. Vosotros __________________ a Sevilla __________________(met de trein) ¿verdad?

vul de juiste vorm in van ir + het vervoersmiddel
LE: haz ej. 6.20, 6.21, 6.28, 6.29

Slide 16 - Slide

Tarea final
Brochure over bezienswaardigheden Helmond.

Planner pág. 9 en 10

Slide 17 - Slide