Pak je boek van Nederlands, maar laat deze nog dicht op tafel liggen.
Huiswerk controle
Slide 2 - Slide
2. Lesdoel
Aan het eind van deze les:
- ken je de grammatica van hoofdstuk 3
Leergebiedoverstijgende doelen:
Denkvermogen
- Realiseert een oplossing volgens plan.
- Formuleert criteria voor de oplossing.
Slide 3 - Slide
4. Instructie
Iedereen doet mee met de instructie.
Slide 4 - Slide
overzicht zinsontleding: hoe zoek je wat en in welke volgorde?
1. Persoonsvorm:
- de zin vragend maken
- de zin in een andere tijd zetten
- de zin in enkelvoud/meervoud zetten
3. Onderwerp:
Wie/wat + werkwoordelijk gezegde?
2. Werkwoordelijke gezegde:
ALLE werkwoorden in een zin.
4. Lijdend voorwerp:
Wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?
zinsdelen maken
Slide 5 - Slide
overzicht: woordsoortbenoeming
1. lidwoord
de, het of een
4. voorzetsel
kun je meestal voor het woordje "... de kast" of "... de kooi" zetten.
Zie hotspot voor voorbeelden.
3. bijvoeglijk naamwoord
Geeft een kenmerk of eigenschap van een zelfstandig naamwoord aan en staat meestal direct voor het zelfstandig naamwoord. Bijv: de rode appel - de gele banaan
2. zelfstandig naamwoord
personen, dieren, planten, dingen, plaatsen, landen en namen.
-> je kunt er vaak de, het of een voorzetten (alleen bij namen niet).
Slide 6 - Slide
5. Begeleid inoefenen
Je maakt de opdrachten op het kopieerblad.
Slide 7 - Slide
6. Zelfstandig werken
Je maakt zelfstandig de opdrachten op het kopieerblad.