LINKplus thema 11, taak 1

LINK-plus thema 11, taak 1
1 / 15
next
Slide 1: Slide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsMBOLeerroute 7

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

LINK-plus thema 11, taak 1

Slide 1 - Slide

Hij heeft een ................ band met zijn opa.
A
lastig
B
plezier
C
plezier
D
speciale

Slide 2 - Quiz

Wil je vanavond met mij ..................?
A
gaan
B
meegaan
C
gaan mee
D
mee

Slide 3 - Quiz

Er staan ............... vragen in het examen.
A
lastige
B
training
C
voorlopig
D
binnenkort

Slide 4 - Quiz

We gaan ............... zwemmen met de kinderen.
A
omdat
B
binnenkort
C
zwembad
D
behoorlijk

Slide 5 - Quiz

Mijn buurvrouw bakt een ............... kersentaart.
A
plezier
B
voorlopig
C
heerlijke
D
gelijk

Slide 6 - Quiz

............... je je conditie wil verbeteren, moet je elke dag .................
A
Als, wandelen
B
Zwem, plezier
C
Voorlopig, zwemmen
D
Omdat, training

Slide 7 - Quiz

Ik trek mijn vest aan, ................. ik het koud heb.
A
want
B
sowieso
C
speciaal
D
omdat

Slide 8 - Quiz

Na de behandeling moet je ............... medicijnen innemen.
A
gelijk
B
behoorlijk
C
binnenkort
D
als

Slide 9 - Quiz

De wedstrijd gaat niet door ................ het ............... te nat is.
A
voorlopig, zwemmen
B
omdat, veld
C
agenda, zwembad
D
gelijk, sauna

Slide 10 - Quiz

scheidbare werkwoorden

Slide 11 - Slide

Welke zin is goed?
A
Wie heeft dit formulier ingevuld?
B
Wie gevuld dit formulier in?
C
Wie invult dit formulier?
D
Wie in dit formulier gevuld?

Slide 12 - Quiz

Welke zin is goed?
A
De buren uit niet hebben genodigd
B
De buren niet uit hebben genodigd.
C
De buren niet hem uitgenodigd hebben.
D
De buren hebben hem niet uitgenodigd.

Slide 13 - Quiz

Welke zin is goed?
A
Waarom dat heeft gelost de politie op?
B
Waarom heeft de politie dat niet opgelost?
C
Waarom lost niet op dat de politie?
D
Waarom heeft gelost de politie dat niet op?

Slide 14 - Quiz

Welke zin is goed?
A
De kleren heb ik gestuurd terug
B
De kleren terug heb ik gestuurd
C
De kleren heb ik teruggestuurd.
D
De kleren heb terug ik gestuurd.

Slide 15 - Quiz