Schrijf vijf zinnen waarin een naamwoordelijk gezegde voorkomt. Zorg ervoor dat de zinnen inhoudelijk verschillend zijn (bijvoorbeeld over een beroep, een eigenschap, een gevoel).
Onderstreep het naamwoordelijk gezegde in elke zin en geef aan wat het koppelwerkwoord en het naamwoordelijk deel is.
Wanneer je klaar bent, wissel je met een klasgenoot en geef je elkaar feedback:
✔️ Zijn de naamwoordelijke gezegdes goed onderstreept?
✔️ Klopt het koppelwerkwoord en het naamwoordelijk deel?
Let ook op de spelling, grammatica en interpunctie.