M2 9 Grammatica H33 werkwoorden herkennen

Vandaag
Lezen
Herhaling H34 naamwoordelijk gezegde
Uitleg H33 werkwoorden herkennen
Aan de slag: keuzebord


1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 22 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Vandaag
Lezen
Herhaling H34 naamwoordelijk gezegde
Uitleg H33 werkwoorden herkennen
Aan de slag: keuzebord


Slide 1 - Slide

Lezen
timer
10:00

Slide 2 - Slide

Lesdoelen
Na deze les:

weet je hoe je verschillende soorten werkwoorden en werkwoordsvormen herkent in een zin. 

Slide 3 - Slide

Heb je het begrepen? Steek 1, 2 of 3 vingers op. 
Wat is het naamwoordelijk gezegde in de onderstaande zin?

De leerlingen uit klas 2 leken erg ziek gisteren. 

1) gisteren
2) de leerlingen uit klas 2
3) leken erg ziek gisteren








Slide 4 - Slide

Naamwoordelijk gezegde NG
Het NG bestaat uit:
1. een werkwoordelijk deel (alle werkwoorden in de zin, waarvan 1 is een koppelwerkwoord is)
2. een naamwoordelijk deel (zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord dat een eigenschap aan het onderwerp koppelt). Wat + PV + OW + overige werkwoorden = NG

NG: bestaat uit een werkwoordelijk deel en een naamwoordelijk deel

ALS ER EEN NG IN EEN ZIN ZIT DAN ZIT ER NOOIT EEN LV IN DE ZIN!!!




Slide 5 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
Eigenschappen koppelen we aan mensen/dieren/dingen met een koppelwerkwoord.

Het koppelwerkwoord ZIJN is het bekendste. 
Namelijk: wij zijn iets of hij/zij is iets.
Maar ook: wij lijken/blijken iets.

Koppelwerkwoorden:
zijn worden blijven blijken lijken schijnen (heten dunken voorkomen)

Slide 6 - Slide

Koppelwerkwoorden
ZWaBBeLS
zijn - worden - blijven 
 blijken - lijken - schijnen
heten - dunken - voorkomen

Slide 7 - Slide




WG (zinnen met een zelfstandig werkwoord)

Zegt wat iemand of iets doet.

Die jongen heeft gesport.

• OW die jongen
• werkwoord: gesport (gezegde)
• werkwoord: heeft (persoonsvorm)



NG (zinnen met een koppelwerkwoord)

Zegt wat iemand is (of wordt, blijft, lijkt).

Die jongen is sportief.

• OW die jongen
• Met een NG wordt aan jou vertelt wat het onderwerp IS.
• KWW is
• NG is sportief (WWD is / NWD sportief)




Werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?

Slide 8 - Slide

Uitleg H33 werkwoorden 
Een werkwoord geeft aan wat iemand doet. 
Je hebt zelfstandige werkwoorden, hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden

Slide 9 - Slide

Zelfstandig werkwoord
Kan niet worden weggelaten en kan 'zelfstandig' in een zin staan. 
Oscar gooit de bal. 

Als er meer werkwoorden in de zin staan, is er maar 1 het zelfstandig werkwoord. 
Oscar zou een bal willen gooien. 

Slide 10 - Slide

Hulpwerkwoord
Staan altijd samen met een of meer andere werkwoorden in een zin en helpen de zin in een bepaalde tijd te zetten. 

Hebben en zijn geven aan dat iets al is gebeurd:
Floris heeft een scooter gekocht. Ik ben met de trein gekomen.

Zullen en gaan geven aan dat iets in de toekomst gebeurt:
Sanne zal een marathon lopen. Pim gaat Sanne aanmoedigen.

Slide 11 - Slide

Hulpwerkwoord

Worden en zijn kunnen aangeven dat iets door iemand is gedaan

Mia is door Tom gebeld.
Het apparaat wordt elke dag schoongemaakt. 

Voorbeelden hulpwerkwoorden:
hebben, zijn, worden, zullen, kunnen, mogen, moeten, willen, gaan, laten

Slide 12 - Slide

Hulpwerkwoord
Let op!
De werkwoorden hebben, zijn, worden en gaan zijn niet altijd een hulpwerkwoord. Ze kunnen ook zelfstandig gebruikt worden. Dan staan ze wel alleen in een zin.

Hij heeft een nieuwe tas. 
Ik ga naar de klas. 

Slide 13 - Slide

Koppelwerkwoorden
Eigenschappen koppelen we aan mensen/dieren/dingen met een koppelwerkwoord.

Het koppelwerkwoord ZIJN is het bekendste. 
Namelijk: wij zijn iets of Bram is iets.

Koppelwerkwoorden:
zijn worden blijven blijken lijken schijnen (heten dunken voorkomen)

Slide 14 - Slide





Zegt wat iemand of iets doet.

Die jongen heeft gesport.

• OW die jongen
• ZWW gesport
• HWW heeft




Zegt wat iemand is (of wordt, blijft, lijkt).

Die jongen is sportief.

• OW die jongen
• Met een koppelwerkwoord wordt aan jou vertelt wat het onderwerp is, wordt, blijft of lijkt.
• Die jongen is sportief.
• KWW is





      Hulpwerkwoord                      Koppelwerkwoord

Slide 15 - Slide

Extra instructie: filmpje koppelwerkwoorden
Klik hier

Slide 16 - Slide

De vier stappen
  1. Zoek het belangrijkste ww in de zin.
  2. Kan dit een kww zijn?
  3. Kun je het vervangen door een ander kww?
  4. Koppelt het werkwoord een eigenschap/kenmerk aan het onderwerp?

Slide 17 - Slide

Aan de slag: keuzebord
Huiswerk nakijken

Vind je dit nog lastig? Lees de theorie op blz. 70 en 180. 
Maak H33 opdr. 3 t/m 5. 
Bekijk ook de filmpjes.
Hoe: je mag met je buur overleggen, maar doe dit zachtjes. 

Beheers je de stof? 
Maak de verdiepende opdracht creatief schrijven op dia 19.

Ben je klaar? Haal dan de oefentoets op bij mij. 


Slide 18 - Slide

Verdiepende opdracht creatief schrijven werkwoorden

Maak drie zinnen. Kies voor elke zin een ander werkwoord uit het volgende rijtje:
hebben, zijn, worden, zullen, kunnen, mogen, moeten, willen, gaan, blijven, laten

Maak:
a. een zin waarin je het werkwoord als zelfstandig werkwoord gebruikt;
b. een zin waarin je het werkwoord als hulpwerkwoord gebruikt;
c. een zin waarin je het werkwoord als koppelwerkwoord gebruikt. 

Let ook op de spelling, grammatica en interpunctie. 
Bespreek de zinnen met een klasgenoot. Heeft hij of zij de werkwoorden op de goede manier gebruikt. 


Slide 19 - Slide

Volgende les
Oefentoets

Slide 21 - Slide

Zijn voor jou de lesdoelen behaald
Ik kan in een zin de verschillende soorten werkwoorden en werkwoordsvormen herkennen.

Vertel.....

Slide 22 - Slide