Wörterbuch deel 2

Wörterbuch Teil 2
1 / 39
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Wörterbuch Teil 2

Slide 1 - Slide

Lesdoel
Aan het eind van deze les ken je de belangrijkste inhouden van het woordenboek en kun je deze in opdrachten toepassen.

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Noem de vijf verschillende vertalingen:

Slide 7 - Open question

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Hoe wordt het woord "Macht" in meervoud geschreven?
A
Die Mächte
B
Der Mächten
C
Die Mächten
D
Das Mächten

Slide 10 - Quiz

Uitleg: Opzoeken volgorde!
Wat moet je weten? Meervoud "macht" v25
Woordenboek vanaf pagina 647!
 v25     -e +Umlaut 
Welk geslacht heeft het woord "Macht"?
v = vrouwelijk = die Macht 
Voorbeeld in woordenboek: Die Angst = Die Ängste
die Macht = die Mächte


Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Hoe heet "Wiederholung" in het meervoud?

Slide 13 - Open question

Slide 14 - Slide

Übersetze het woord herkansing in deze zin: :
Ik heb recht op een "herkansing" bij Engels.

Slide 15 - Open question

Slide 16 - Slide

Vertaal "Afscheidsfeest" en plaats ook het correcte Duitse lidwoord ervoor

Slide 17 - Open question

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Wat geven de getallen 1,2,3,4 links in de tabel aan?

Slide 20 - Open question

Wat zijn de verschillen tussen 47, 48 en 49?
A
Er zijn geen verschillen
B
De drie mogelijkheden van de verbuigingen
C
De drie verschillende naamvallen
D
Dat zou ik ook graag willen weten

Slide 21 - Quiz

Slide 22 - Slide

Wat is de vergrotende trap van:
süß

Slide 23 - Open question

Wat is de overtreffende trap van:
niedrig

Slide 24 - Open question

Slide 25 - Slide

Dies ist das Spielzeug .... (ein Kind).
A
eines Kind(e)s
B
einem Kind(e)
C
ein Kind
D
einer Kind

Slide 26 - Quiz

..... (deze Frau) hat den Wettkampf gewonnen.
A
Diese Frau
B
dieser Frau
C
dieses Frau
D
dieser Frau

Slide 27 - Quiz

Slide 28 - Slide

ich 
du
er/sie/es 
wir
ihr
sie/Sie
sind 
bin
seid
bist
ist
sind
hat
hast
haben
habt
haben
habe

Slide 29 - Drag question

Slide 30 - Slide

Noem Duitse hulpwerkwoorden:

Slide 31 - Open question

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide

Er ....(essen) jetzt Pizza.

Slide 34 - Open question

Das Kind .... (fahren) gestern mit dem Fahrrad.

Slide 35 - Open question

.... (geben) mir sofort den Stift zurück!

Slide 36 - Open question

Er hat mich ........ (hauen).

Slide 37 - Open question

Hoe goed kun je nu woorden in het woordenboek opzoeken?
010

Slide 38 - Poll

Waar wil je nog een keer extra uitleg over krijgen?

Slide 39 - Open question