Voegwoorden

Thema 6  Film
1 / 12
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 12 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min

Items in this lesson

Thema 6  Film

Slide 1 - Slide

Je leert over voegwoorden
Je luistert naar een tekst.
Je weet waar een punt of en komma moet staan.

Je kent de voegwoorden voor A2 of B1.
Je leert over hoofdzinnen en bijzinnen.



 

Slide 2 - Slide

Voegwoorden
Waar gaat het filmpje (huiswerk) over?

Wat is een voegwoord?

Welke voegwoorden ken je?


Slide 3 - Slide

Hoofdzin en hoofdzin
Ik ga naar de film en ik eet popcorn.
Ik eet popcorn want ik ga naar de film.
Ik ga naar de film dus ik eet popcorn.

Slide 4 - Slide

Hoofdzin en bijzin
Ik eet popcorn, als ik naar de film ga.
Ik eet popcorn, omdat ik naar de film ga.

Ik ga naar de film, nadat ik popcorn heb gekocht.
Voordat ik naar de film ga, koop ik popcorn.
Nadat ik popcorn heb gekocht, ga ik naar de film.

Slide 5 - Slide

Luister en schrijf de leestekens
Leestekens:
Het geeft een pauze aan als je leest.
Na een punt komt een hoofdletter.
Na een komma komt geen hoofdletter.

Luister naar de volgende tekst.
Schrijf punten en komma's in de tekst.

Slide 6 - Slide

controle A2 en B1
Controleer of je op de goede plek de punten en de komma's hebt gezet.

Verbeter je werk.

Onderstreep alle werkwoorden die kunnen veranderen (persoonsvormen) (geen markeerstift)

Slide 7 - Slide

 Vertaal alle voegwoorden B1
Begrijp je alle voegwoorden?

Markeer de bijzinnen.

Controleer je werk in tweetallen.






Slide 8 - Slide

Taak 1 p. 40
Maak opdracht 1 en 2.
Werk in tweetallen.

Klaar?
Begin met de woordenlijst van thema 6

Slide 9 - Slide

Lange zinnen maken 1
Voor A2 maak je langere zinnen.
Je gebruikt de voegwoorden en, maar, want, dus en omdat.
Je kent de betekenis van de voegwoorden.
Je schrijft hoofdzinnen en goed.
(de volgorde van de woorden klopt)
Je zet de punten op de goede plaats.

Slide 10 - Slide

Lange zinnen maken 2
Voor B1 maak je langere zinnen.
Je gebruikt voegwoorden.
Je gebruikt de juiste voegwoorden en je kent de betekenis.
Je schrijft hoofdzinnen en bijzinnen goed.
( de volgorde van de woorden klopt)
Je zet komma's en punten op de goede plaats.

Slide 11 - Slide

Waar ga je goed op letten?
Met welke 2 regels van het vorige scherm ga je de komende weken oefenen?

Schrijf dit op in je schrift.
Bij de schrijfopdrachten die je inlevert, schrijf je deze punten op.

Slide 12 - Slide