Domein H

Domein H
1 / 49
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 49 slides, with text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Domein H

Slide 1 - Slide

BBP berekenen 1.1

Slide 2 - Slide

Toegevoegde waarde 1.1





Omzet  - Inkoop  (grondstoffen)  = toegevoegde waarde

Slide 3 - Slide

Categoriale inkomensverdeling
.

Hoeveel % van het inkomen wordt verdient per productiefactor

Loon/BBP x 100 = loonquote

Slide 4 - Slide

Arbeidsinkomensquote (AIQ)
Loon + Winst zelfstandigen / BBP x 100


Loonkosten : Productie = Loonkosten per eenheid product.
(Stel: Loon +4% en productie +6% --> productie wordt per eenheid goedkoper)


Slide 5 - Slide

Reële kringloop
Wat er bij een 'speler' binnen komt, gaat er ook weer uit.

Bestedingen van de één, zijn inkomsten van ander (Y gaat bij bedrijf weg, is inkomen bij gezinnen etc.)
Reële kringloop: Goederen (Bedrijf levert, gezin consumeert)

Slide 6 - Slide

Formules
  • Omdat alles wat erin komt, gelijk is aan wat eruit gaat, gelden de volgende identiteiten:
  • Y = C + B + S
  • Y = C + I + O + E - M --> LEREN
  • (S - I) + (B - O) = (E - M) --> LEREN 

Slide 7 - Slide

(S-I) + (B-O) = (E-M)
Financiële kringloop
S = I + (O-B) + (E-M)

(S-I) = Particulier spaarsaldo
(O-B) = Saldo overheid
(E-M) = Saldo lopende rekening = Nationaal spaarsaldo

Slide 8 - Slide

1.2: Betalingsbalans

De geldstromen m.b.t. de handel staan op de betalingsbalans.

Ook andere geldstromen van en naar het buitenland (bijvoorbeeld beleggingen) staan op de betalingsbalans.

Slide 9 - Slide

1.2: Opbouw betalingsbalans
Lopende rekening --> Reële transacties (afzet, stuks) met het buitenland (import/export) dus E-M


Financiële rekening (Kapitaalrekening) --> Financiële transacties met buitenland (beleggingen, sparen)

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Productiefactoren en technologie (2.1)
.
De economische groei is op lange termijn afhankelijk van innovaties van de productiefactoren:
Natuur, arbeid, kapitaal en ondernemersschap.

Productiefactoren bepalen het aanbod (de aanbodkant) van de economie.

Slide 13 - Slide

Factorproductiviteit

Slide 14 - Slide

Arbeid
Kwaliteit hangt af van:

Kwantiteit beroepsbevolking
Scholing beroepsbevolking

Slide 15 - Slide

Beïnvloeding factorproductiviteit
Innovaties dus R&D (Research & Development)
Onderwijs
Handel
Infrastructuur verbetering
Beter milieu
Gunstige ligging
Goed systeem van overheid (geen corruptie)

Slide 16 - Slide

Productiefunctie Y = A.(K,L)
Y* = potentiële productie
A = totale factorproductiviteit
K = omvang productiefactor Kapitaal (incl. Natuur)
L = omvang productiefactor Arbeid (Labour)

Slide 17 - Slide

Productiefunctie
Bij de inzet van arbeid en kapitaal op de hoogte van A, kan maximaal een bepaalde Y uitkomen.

Afnemende meeropbrengsten. Iedere K,L voegt steeds minder Y toe.

B kan niet bereikt worden, blauwe lijn geeft de max. productie aan.

Slide 18 - Slide

Innovatie
Overheid verplicht scholing van werknemers

Daardoor verschuiving van de productiefunctie naar boven. Capaciteit wordt groter

Slide 19 - Slide

Constante schaalopbrengsten
Verdubbeling van de inzet van K en L leidt ook tot een verdubbeling van de productie en inkomen.

Slide 20 - Slide

Structuurbeleid
Structuurbeleid van de overheid is er opgericht om de productiefactoren te verbeteren. Gericht op de toekomst dus. 

Veel geld naar innovaties en onderwijs dus.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Welvaart
In hoeverre zijn mensen in staat om hun behoeften te voorzien?

Enge welvaart: Welvaart meten in inkomen/BBP
Brede welvaart: Rekening houdend met milieu, vrije tijd, veiligheid, inkomensverdeling, externe effecten, infrastructuur,. ......

Slide 23 - Slide

Welvaart
Factoren die van invloed zijn op de welvaart in een land:
 vrije tijd, 
milieu, 
leefomgeving, 
collectieve goederen, 
infrastructuur, risico (negatief), ongelijkheid (negatief),
veiligheid, overheidspaternalisme.

Slide 24 - Slide

Maatschappelijke welvaart

Slide 25 - Slide

Pareto optimaal
Een uitkomst is Pareto-optimaal wanneer niemand zijn positie kan verbeteren zonder dat dit ten koste gaat van de ander.

In een marktmodel betekent dit dat de som van consumenten- en producentensuplus maximaal is.

Niemand kan zich nog verbeteren

Slide 26 - Slide

Groen BBP
BBP - Kosten aan verbetering milieu + opbrengsten aan verbetering van het milieu


Kortom: het groene BBP houdt rekening met het milieu.

Slide 27 - Slide

Lorenzcurve
Geeft de verdeling van inkomens weer in een land. Hoe dikker de 'buik', hoe schever de inkomensverdeling is. (En dus een hogere gini).

Slide 28 - Slide

Percentielratio
Rijkste groep : armste groep

Dus hier: 50% : 4% = 12,5

Rijk verdient 12,5x zoveel als arm. 

Slide 29 - Slide

Nivelleren / Denivelleren
Nivellering: de buik wordt dunner. Het verschil tussen arm en rijk wordt kleiner. (Oorzaken: progressief stelsel belasting, heffingskorting, belastingvrije voet)


Denivellering: de buik wordt dikker. Verschillen groter. (Aftrekposten, degressief stelsel)

Slide 30 - Slide

Gini-Coëfficiënt
Getal dat iets zegt over de inkomensverdeling

Hoe schever de verdeling, hoe groter de gini-coëfficiënt. 

Gini ligt tussen 0 en 1: bij 0 verdient iedereen hetzelfde(diagonaal), 1 is volkomen ongelijk 

Slide 31 - Slide

Soorten inkomen
Primair inkomen is inkomen voor belasting
Secundair is inkomen wat je overhoudt na loonheffing en sociale premies. 

Slide 32 - Slide

Vermogensongelijkheid
Dit gaat over de ongelijkheid tussen de vermogens in een land. Dit is dus wat anders dan inkomen.

 Je kijkt dus naar het vermogen wat mensen op een bepaald moment bezitten (bezittingen - schulden) en hoe groot de verschillen hiertussen zijn.
(Bezit = huis, aandelen, spaargeld ,...)

Slide 33 - Slide

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Video

Herverdeling inkomen
Door belastingen wordt het inkomen 'herverdeeld'. Mensen krijgen bijv. een uitkering van de belasting van werkenden 

Daardoor
- Als de belasting te hoog is: minder motivatie tot werken
- Uitkering hoog: thuis zitten is ook prima 
- scholing/ondernemen is niet nodig, minder motivatie om veel te verdienen

Meer prikkels tot migratie of belastingontduiking 

Slide 36 - Slide

Belasting
Gemiddeld tarief = Belasting : bruto inkomen x 100



Marginaal tarief: Het percentage wat je over iedere volgende euro betaalt. 

Slide 37 - Slide

Belastingwig
Verschil tussen nettoloon en de loonkosten van de werkgever.
De wig is dus de optelstom van belastingen en premies.

Niet verschil tussen bruto en netto!!

Slide 38 - Slide

3 stelsels kennen
Vlaktaks = Iedereen betaalt hetzelfde % belasting. Ook wel proportioneel. Iedereen hetzelfde marginale tarief. 

Progressief: hoe hoger het inkomen, hoe hoger het belasting %. Marginale tarief hoger naarmate je inkomen stijgt. 

Degressief: hoe hoger je inkomen, hoe lager je belasting %

Slide 39 - Slide

!!!Stappenplan netto inkomen!!!
Stap 1: Bereken het belastbaar inkomen --> 
Bruto - aftrekposten
Stap 2: Reken het bedrag uit in de schijven
Stap 3: Verlaag het bedrag uit de schijven met de heffingskorting
Stap 4: Bruto inkomen - belasting = Netto inkomen

Slide 40 - Slide

Som oefenen:
Bruto inkomen €100.000
Hypotheekrente €4000
Heffingskortingen: €3000

Bereken het gemiddelde belasting %

Slide 41 - Slide

Heffingskorting
Bedrag wat je als korting van de belasting af mag halen. Is voor iedereen vaak een vast bedrag.

Korting van €5000 is voor mensen met een laag inkomen relatief veel meer dan mensen met een hoog inkomen = Nivellering 

Slide 42 - Slide

Aftrekposten
Aftrekposten in een hoge schijf scheelt iemand een hoger % belasting dan aftrekposten in een lagere schrijf.

Iemand met een laag inkomen heeft dus relatief minder voordeel van aftrekposten door een lager marginaal tarief

Dus aftrekposten werken denivellerend. 

Slide 43 - Slide

Aftrekpost
€5000 aftrekpost:

Inkomen van €70.000 is geen 52% over 5000 euro
Inkomen van €13.000 is geen 32% over 5000
Dus denivellering

Slide 44 - Slide

Slide 45 - Video

Slide 46 - Slide

Rechtstreeks of niet?
directe belastingen
(inkomstenbelasting, loonbelasting, vennootschapsbelasting)

- indirecte belastingen
De winkelier betaalt deze belasting weer door aan het Rijk.
(btw en accijns)

Slide 47 - Slide

Vennootschapsbelasting
Belasting over de belastbare winst van een onderneming. Belasting moet worden betaald door het bedrijf. 

Slide 48 - Slide

Hoe herverdelen:
Belastingstelsel (hiervoor uitgelegd)

- Uitkeringen: mensen krijgen een uitkering waardoor het inkomen van de armste mensen omhoog gaat
- Toeslagen: mensen krijgen toeslagen van de overheid van bijvoorbeeld kinderopvang om hun inkomen te laten stijgen



Slide 49 - Slide