This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.
Je geeft elk woord in de zin een naam
1. Een ZN kun je verkleinen: dorp - dorpje
2. Ook steden, namen van landen, straatnamen en rivieren zijn een ZN.
3. Je kunt er een lidwoord voorzetten
Voorzetsels zijn vaak korte woordjes. Je kent ze misschien als: 'kooiwoorden' of 'vakantiewoorden'.
..... de kooi (in, op, onder, achter, naast)
...... het vakantie (voor, na, tijdens)
Maar ook woorden zoals met of naar zijn voorzetsels.