Oefentoetsjehv1a!!!

Oefentoetsje  grammatica
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Oefentoetsje  grammatica

Slide 1 - Slide

Waar of niet waar:
Als er 1 werkwoord in de zin staat is dat een hulpwerkwoord
A
waar
B
niet waar

Slide 2 - Quiz

Waar of niet waar: voornaamwoorden verwijzen naar personen, dieren, dingen of begrippen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 3 - Quiz

Sleep de werkwoorden uit onderstaande zin naar het juiste type werkwoord:
Word jij ook door je ouders opgegeven voor die extra bijles in de vakantie?
Hulpwerkwoord
Zelfstandig werkwoord
Koppelwerkwoord
Geen werkwoord
Word
opgegeven

Slide 4 - Drag question

Sleep de werkwoorden uit onderstaande zin naar het juiste type werkwoord:
De jeugdige leraar is trots op zijn lange haar.
Hulpwerkwoord
Zelfstandig werkwoord
Koppelwerkwoord
Geen werkwoord
is
zijn

Slide 5 - Drag question

Welke zelfstandig naamwoorden staan in onderstaande zin?

In Nederland vragen jonge mensen hulp aan de regering van Mark Rutte.

A
Mensen, regering ,
B
Mensen, regering, Mark, hulp, jonge
C
Nederland, mensen, regering, Mark, Rutte, hulp
D
Nederland, jonge, mensen, regering, Mark, Rutte, hulp

Slide 6 - Quiz


Wat is het onderwerp in deze zin?

Het bekende Nederlandse televisieprogramma van John de Mol bestaat al meer dan vijf jaar.
A
meer dan vijf jaar
B
Het bekende Nederlandse televisieprogramma
C
Het bekende Nederlandse televisieprogramma van John
D
Het bekende Nederlandse televisieprogramma van John de Mol

Slide 7 - Quiz



Wat is het onderwerp in deze zin?

Ik geef een cadeau.
A
ik
B
geef
C
een cadeau
D
cadeau

Slide 8 - Quiz

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

Katrien is moe.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 9 - Quiz

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

Ze heeft hard gewerkt.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 10 - Quiz

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

Later wordt Katrien slaapspecialist.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 11 - Quiz

werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?

Voor veel leerlingen blijft grammatica een moeilijk onderdeel.
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 12 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Wij zouden op de fiets naar huis gaan.
A
fiets
B
zouden
C
zouden gaan
D
zouden op de fiets gaan

Slide 13 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Wij zouden op de fiets naar huis gaan.
A
fiets
B
zouden
C
zouden gaan
D
zouden op de fiets gaan

Slide 14 - Quiz

Goed of fout? Het werkwoordelijk gezegde is hetzelfde als de persoonsvorm.
A
goed
B
fout

Slide 15 - Quiz

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Welke zelfstandig naamwoorden staan in onderstaande zin?

In hun keiharde schedel zit volgens stichting Brein nauwelijks hersenvloeistof, waardoor het kleine spechtenbrein minder heen en weer klotst.

A
schedel, hersenvloeistof, keiharde ,
B
hersenvloeistof, spechtenbrein, klotst, stichting
C
schedel, hersenvloeistof, spechtenbrein
D
schedel, hersenvloeistof, spechtenbrein, Brein

Slide 18 - Quiz