This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Wat doen we vandaag?
Vragen grammatica?
Bespreken opdr. 1, 2, 6, 7 en 9.
Grammatica Hoofdstuk 16
Maken Erga Hoofdstuk 16
Slide 1 - Slide
Vragen Grammatica?
Slide 2 - Open question
Slide 3 - Slide
Geen vragen (meer)?
Maak maar twee rijtjes....
Slide 4 - Slide
Hulpboek blz. 126
Ergon 24.
Slide 5 - Slide
Ergon
1
Slide 6 - Slide
Het Orakel van Delphi
Taalboek blz. 68-70.
Hulpboek blz. 63.
Opdrachten 1 en 2
Slide 7 - Slide
Opdracht 1
a Een orakel is de plaats waar je met een god in contact kan komen; soms wordt er ook de uitspraak mee aangeduid en soms ook de priester(es) die de uitspraak doet.
b Wat er ongeveer zou gebeuren in hun leven.
c Eigen verwerking. Bijvoorbeeld: kan ik kinderen krijgen? Moet ik trouwen met x? Moet ik de ruzie met mijn broer bijleggen?
d Eigen verwerking. Bijvoorbeeld: moeten we oorlog voeren tegen x, waar kunnen we het beste een kolonie stichten?
Slide 8 - Slide
Opdracht 2
a De mythe die vertelt dat Apollo de draak Python gedood heeft.
b Apollo was de god van de kunsten, muziek en dans vallen daar onder.
Slide 9 - Slide
Pythia
Taalboek blz. 72.
Hulpboek blz. 64.
Opdrachten 6, 7 en 9.
Slide 10 - Slide
Opdracht 6
a De bezoeker moet rekening houden met de dagen waarop uitspraak gedaan kan worden. Pas als de voortekenen goed zijn, mag hij zijn vragen stellen. Hij moet: offeren aan Apollo, zich ritueel reinigen en zijn vragen (meestal op schrift) aan de priester stellen.
b De priester moet kijken of de offertekens gunstig zijn, vragen op schrift mee naar binnen nemen, de Pythia de vragen stellen, het antwoord in verzen omzetten en interpreteren en dat antwoord meegeven aan de bezoeker.
Slide 11 - Slide
Opdracht 7
a ἐν= in en θεος = god
b Als je ἐνθουθσιαστική bent, is de ‘god’ als het ware ‘in’ je, hij heeft bezit genomen van je geest. Als je enthousiast bent, ben je heel blij en druk, de Pythia was dat niet, zij was wel druk (overeenkomst) maar (volgens sommige verhalen) verward (verschil). Een tweede verschil is dat wij geen koppeling maken met iets ‘goddelijks’, dat deden de Grieken wel.
Slide 12 - Slide
Opdracht 9
a Twee uit: de driepoot, de Pythia die in trance roept, de priesters, de priester (links) die antwoorden opschrijft, de vragenstellers.
b Links staat de omphalos met daaroverheen wollen draden.
Slide 13 - Slide
Opdracht
a
Slide 14 - Slide
Hulpboek blz. 130
Slide 15 - Slide
Ergon
1
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
Slide 19 - Slide
Slide 20 - Slide
Slide 21 - Slide
Slide 22 - Slide
Slide 23 - Slide
Slide 24 - Slide
Slide 25 - Slide
Slide 26 - Slide
Slide 27 - Slide
Slide 28 - Slide
Slide 29 - Slide
Hulpboek blz. 131
Maak erga 1, 2, 4.
timer
20:00
Slide 30 - Slide
Ergon 1
1 ἐρωτᾷ 3 ev ind prs hij/zij/het vraagt
2 σκοπεῖτε (2×) 2 mv ind prs jullie bekijken
3 ἐνόεις 2 ev ind ipf jij merkte op
4 γελᾶν - - inf prs lachen
5 ἐτίμων (2×) 1 ev ind ipf ik eerde
1 mv ind prs zij eerden
6 αἱροῦμεν 1 ind prs wij grijpen
Slide 31 - Slide
Ergon 1
7 ὁρῶσι 3 mv ind zij zien
8 ᾑροῦμεν 1 mv ind ipf wij grepen
9 ζήτει ev imp prs zoek!
10 δοκοῦσι 3 mv ind prs zij menen
11 ῥεῖ 3 ev ind prs hij/zij/het stroomt
12 ᾤκουν (2×) 1 ev ind ipf ik woonde
3 mv ind ipf zij woonden
Slide 32 - Slide
Ergon 2
1 ἐγέλα ἐ γέλα ε hij/zij lachte
2 σκοπεῖτε (2×) - σκόπε ετε kijk!
3 ἐκαλοῦμεν ἐ καλε ομεν wij riepen
4 ἠρώτας ἐ ἐρώτα ες jij vroeg
5 νοεῖ - νοε ει hij/zij/het merkt op
6 ᾕρουν (2×) ἐ αιρε ον ik greep/zij grepen
Slide 33 - Slide
Ergon 2
7 τιμῶσι - τιμα ουσι zij eren
8 ᾤκεις ἐ οικε ες jij woonde
9 ὁρᾷς ὁρα εις jij ziet
10 ἐζήτει ἐ ζήτε ε hij/zij/het zocht
11 ἐτιμῶμεν ἐ τιμα ομεν wij eerden
12 ἐρώτα ἐρώτα ε vraag!
Slide 34 - Slide
Ergon 4
Bij de ε- stammen: ε + ε = ει; ε + ο = ου
Bij de α- stammen: α + ε = α; α + ο = ω
Slide 35 - Slide
Ergon 1
1
Slide 36 - Slide
Aan het werk.
Leer Hulpboek blz. 156, 1 t/m 16.
Leer Hulpboek blz. 140 t/m 151.
Lees Tekstboek blz. 72 t/m 73.
Maak Hulpboek blz. 64, opdr. 10 en 13.
Lees Tekstboek blz. 74.
Maak Hulpboek blz. 66, opdr. 15, 16. Dit is ook huiswerk.
Slide 37 - Slide
Opdracht
Ieder krijgt (ongeveer) 2 zinnen toegewezen.
Benoem ieder woord in de zin.
Bij naamwoorden: geef naamval, geslacht, getal
Bij werkwoorden: geef modus, tijd, these, aspect, persoon.
Geef bij naamwoorden de (vermoedelijke) functie in de zin, of geef aan of dit een vaste aanvulling is (waarbij?)
Slide 38 - Slide
Wat heb je vandaag geleerd?
Slide 39 - Open question
Wat is nog onduidelijk? Waar wil je meer over weten?