8 april

Wat doen we vandaag?
  • Vragen grammatica?
  • Bespreken opdr. 1, 2, 6, 7 en 9. 
  • Grammatica Hoofdstuk 16
  • Maken Erga Hoofdstuk 16 
1 / 40
next
Slide 1: Slide
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Wat doen we vandaag?
  • Vragen grammatica?
  • Bespreken opdr. 1, 2, 6, 7 en 9. 
  • Grammatica Hoofdstuk 16
  • Maken Erga Hoofdstuk 16 

Slide 1 - Slide

Vragen Grammatica?

Slide 2 - Open question

Slide 3 - Slide

Geen vragen (meer)?
  • Maak maar twee rijtjes.... 

Slide 4 - Slide

Hulpboek blz. 126
Ergon 24. 


Slide 5 - Slide

Ergon 

Slide 6 - Slide

Het Orakel van Delphi


Taalboek blz. 68-70. 
Hulpboek blz. 63. 
Opdrachten 1 en 2

Slide 7 - Slide

Opdracht 1
  • a Een orakel is de plaats waar je met een god in contact kan komen; soms wordt er ook de uitspraak mee aangeduid en soms ook de priester(es) die de uitspraak doet.
  • b Wat er ongeveer zou gebeuren in hun leven.
  • c Eigen verwerking. Bijvoorbeeld: kan ik kinderen krijgen? Moet ik trouwen met x? Moet ik de ruzie met mijn broer bijleggen?
  • d Eigen verwerking. Bijvoorbeeld: moeten we oorlog voeren tegen x, waar kunnen we het beste een kolonie stichten?

Slide 8 - Slide

Opdracht 2
  • a De mythe die vertelt dat Apollo de draak Python gedood heeft.
  • b Apollo was de god van de kunsten, muziek en dans vallen daar onder.

Slide 9 - Slide


Pythia


Taalboek blz. 72. 
Hulpboek blz. 64. 
Opdrachten 6, 7 en 9.

Slide 10 - Slide

Opdracht 6
  • a De bezoeker moet rekening houden met de dagen waarop uitspraak gedaan kan worden. Pas als de voortekenen goed zijn, mag hij zijn vragen stellen. Hij moet: offeren aan Apollo, zich ritueel reinigen en zijn vragen (meestal op schrift) aan de priester stellen.
  • b De priester moet kijken of de offertekens gunstig zijn, vragen op schrift mee naar binnen nemen, de Pythia de vragen stellen, het antwoord in verzen omzetten en interpreteren en dat antwoord meegeven aan de bezoeker.

Slide 11 - Slide

Opdracht 7
  • a ἐν= in en θεος = god
  • b Als je ἐνθουθσιαστική bent, is de ‘god’ als het ware ‘in’ je, hij heeft bezit genomen van je geest. Als je enthousiast bent, ben je heel blij en druk, de Pythia was dat niet, zij was wel druk (overeenkomst) maar (volgens sommige verhalen) verward (verschil). Een tweede verschil is dat wij geen koppeling maken met iets ‘goddelijks’, dat deden de Grieken wel.

Slide 12 - Slide

Opdracht 9
  • a Twee uit: de driepoot, de Pythia die in trance roept, de priesters, de priester (links) die antwoorden opschrijft, de vragenstellers.
  • b Links staat de omphalos met daaroverheen wollen draden.

Slide 13 - Slide

Opdracht 

Slide 14 - Slide

Hulpboek blz. 130



Slide 15 - Slide

Ergon 

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Hulpboek blz. 131

Maak erga 1, 2, 4.



timer
20:00

Slide 30 - Slide

Ergon 1
  • 1 ἐρωτᾷ 3 ev ind prs hij/zij/het vraagt
  • 2 σκοπεῖτε (2×) 2 mv ind prs jullie bekijken
  • 3 ἐνόεις 2 ev ind ipf jij merkte op
  • 4 γελᾶν - - inf prs lachen 
  • 5 ἐτίμων (2×) 1 ev ind ipf ik eerde
  •                             1 mv ind prs zij eerden
  • 6 αἱροῦμεν 1 ind prs wij grijpen

Slide 31 - Slide

Ergon 1
  • ὁρῶσι 3 mv ind zij zien
  • 8 ᾑροῦμεν 1 mv ind ipf wij grepen
  • 9 ζήτει ev imp prs zoek!
  • 10 δοκοῦσι 3 mv ind prs zij menen
  • 11 ῥεῖ 3 ev ind prs hij/zij/het stroomt
  • 12 ᾤκουν (2×) 1 ev ind ipf ik woonde
  •                              3 mv ind ipf zij woonden

Slide 32 - Slide

Ergon 2
  • 1  ἐγέλα ἐ γέλα ε hij/zij lachte
  • 2 σκοπεῖτε (2×)  - σκόπε ετε kijk!
  • 3 ἐκαλοῦμεν ἐ καλε ομεν  wij riepen
  • 4 ἠρώτας  ἐ ἐρώτα ες jij vroeg
  • 5 νοεῖ - νοε ει hij/zij/het merkt op
  • 6 ᾕρουν (2×) ἐ αιρε ον ik greep/zij grepen

Slide 33 - Slide

Ergon 2
  • τιμῶσι - τιμα ουσι zij eren
  • 8 ᾤκεις ἐ οικε ες jij woonde
  • 9 ὁρᾷς ὁρα εις jij ziet
  • 10 ἐζήτει ἐ ζήτε ε hij/zij/het zocht
  • 11 ἐτιμῶμεν ἐ τιμα ομεν wij eerden 
  • 12 ἐρώτα ἐρώτα ε vraag!

Slide 34 - Slide

Ergon 4
  • Bij de ε- stammen: ε + ε = ει; ε + ο = ου
  • Bij de α- stammen: α + ε = α; α + ο = ω

Slide 35 - Slide

Ergon 1

Slide 36 - Slide

Aan het werk.
  • Leer Hulpboek blz. 156, 1 t/m 16.
  • Leer Hulpboek blz. 140 t/m 151.
  • Lees Tekstboek blz. 72 t/m 73. 
  • Maak Hulpboek blz. 64, opdr. 10 en 13.
  • Lees Tekstboek blz. 74. 
  • Maak Hulpboek blz. 66, opdr. 15, 16.
    Dit is ook huiswerk. 

Slide 37 - Slide

Opdracht
  • Ieder krijgt (ongeveer) 2 zinnen toegewezen.
  • Benoem ieder woord in de zin.
  • Bij naamwoorden: geef naamval, geslacht, getal
  • Bij werkwoorden: geef modus, tijd, these, aspect, persoon.
  • Geef bij naamwoorden de (vermoedelijke) functie in de zin, of geef aan of dit een vaste aanvulling is (waarbij?)

Slide 38 - Slide

Wat heb je vandaag geleerd?

Slide 39 - Open question

Wat is nog onduidelijk?
Waar wil je meer over weten?

Slide 40 - Open question