TaalCompleet A2 uitleg paragrafen

TaalCompleet A2 uitleg paragrafen
1 / 23
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 23 slides, with text slides.

Items in this lesson

TaalCompleet A2 uitleg paragrafen

Slide 1 - Slide

1.9

Slide 2 - Slide

             Sommige woorden krijgen de andere krijgen het
de - het --> lidwoorden
de- woorden                               het-woorden
de vrouw                                     het boek
de jongen                                    het kind
              (lidwoord, *zelfstandig naamwoord * mens, ding, dier)
een --> lidwoord        een jongen                                   een boek

de man - het boek- een boek -de tafel-  het paard- een paard-  de ezel- het meisje- een meisje


Slide 3 - Slide

1.9 blz. 27  ( woordenlijst)

Je leert dat je met een bijvoeglijk naamwoord iets meer kunt vertellen over een mens, dier of ding ( zelfstandig naamwoord). 


Slide 4 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord
Met bijvoeglijke naamwoorden kun je iets meer informatie geven over een mens, dier of ding
de  lieve vrouw                         het stoute kind          een domme ezel
de vrouw is lief                          het kind is stout        een ezel is dom
             
                 lief en stout zijn bijvoeglijke naamwoorden   
Staat het woord voor een mens, dier of ding?  dan krijgt het een -e
Staat het woord aan het einde van de zin?  dan niet! kortste vorm


Slide 5 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord
Met bijvoeglijke naamwoorden kun je iets meer informatie geven over een mens, dier of ding
de  lieve vrouw                         het stoute kind          een domme ezel
de vrouw is lief                          het kind is stout        een ezel is dom          
woorden met een klinker met daarna een medeklinker aan het einde:                              wit - dik- dun- dom
de stoel is wit - de witte stoel        het potlood is dun
de jas is dik- de dikke jas              het dunne potlood



Slide 6 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord
Met bijvoeglijke naamwoorden kun je iets meer informatie geven over een mens, dier of ding
de  lieve vrouw                         het stoute kind          een domme ezel
de vrouw is lief                          het kind is stout        een ezel is dom          
woorden met dezelfde klinkers en een medeklinker aan het einde:
                              groot- laag- rood- leeg- duur
de kast is groot - de grote stoel        de pen is leeg- de lege pen
de jas is rood- de rode jas                de auto is duur- de dure auto



Slide 7 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord
Met bijvoeglijke naamwoorden kun je iets meer informatie geven over een mens, dier of ding
de  lieve vrouw                         het stoute kind          een domme ezel
de vrouw is lief                          het kind is stout        een ezel is dom          
woorden met twee klinkers of ij, met daarna s of een f
                              grijs- lief- vies-boos-scheef
de kast is grijs- de grijze stoel        de man is boos- de boze man
de jas is vies- de vieze jas               



Slide 8 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord
Met bijvoeglijke naamwoorden kun je iets meer informatie geven over een mens, dier of ding
               woorden voor materiaal ( waarvan iets is gemaakt)
               katoen, goud, zilver, wol, hout, steen      
de katoenen jurk - de jurk is van katoen
de gouden ring- de ring is van goud                    geen -e maar - en
de zilveren ketting- de ketting is van zilver
de wollen sjaal- de sjaal is van wol



Slide 9 - Slide

1.9 blz. 27  ( woordenlijst)
Wat is de goede vorm van het woord?

1. De bank is zwart/ zwarte.
2. De groot/grote spiegel in de badkamer.
3. Ik koop een wol/wollen sjaal.
4. De kast is de woonkamer is grijze/grijs.
5. Het meisje heeft bruin/bruine ogen.

Slide 10 - Slide

1.9 blz. 27 ( woordenlijst)
Welke woorden geven meer informatie over een mens, dier of ding?
De lieve vrouw.

Waarom schrijven we:
wit- witte
groot- grote
lief- lieve
wol-wollen


Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Bijvoeglijke naamwoorden
klein, wit, groot, lief.  
       Je geeft informatie ( je vertelt meer) over een ding, mens of dier
De witte stoel. De stoel is wit             De grote stoel.  De stoel is groot
De mooie stoel. De stoel is mooi       De houten stoel. de stoel is van hout
De grijze stoel. De stoel is grijs.

de ....man - het.... boek- het boek is........... -de ......tafel-  het..... paard-  
de........ ezel- het .............meisje- het meisje is........


Slide 13 - Slide

1.15 blz. 42  ( woordenlijst)

Je leert dat je met een bijvoeglijk naamwoord  dingen, mensen en dieren kunt vergelijken.

Een  mooie broek. Deze trui is mooier.

Slide 14 - Slide

1.15 blz. 42  ( woordenlijst)
Als je mensen, dingen, dieren met elkaar wilt vergelijken , zet je meestal -er achter het woord.
Klein           Het kind is klein. De baby is kleiner dan het kind.
Is de laatste letter van het woord een r ? duur  - duurder
 Duur        Een laptop is duur. Een auto is duurder dan een laptop.

Sommige woorden zijn onregelmatig. Die moet je uit je hoofd leren.
goed        Ik vind die film goed. Ik vind het boek beter dan het boek
veel          heb je veel zin in ijs.  Of heb je meer zin in patat dan ijs.

Is er geen verschil? Zeg dan : Het kind en de baby zijn even klein.       even duur

Slide 15 - Slide

1.15 blz. 42  ( woordenlijst)
Vul in. gebruik dan

gezond     De appels zijn..................................................... koekjes.
snel          Een auto gaat.....................................................een fiets.
klein         Een dorp is...........................................................een stad.
graag       Samira gaat ...........................zwemmen..............................naar school.
lekker       Een pizza is...........................................................................een patat.
mooi         Een groene jurk is.................................................................een zwarte jurk.

Slide 16 - Slide

1.15 blz. 42 ( woordenlijst)
Wat zet je achter een woord ( klein, mooi) als je mensen, dieren of dingen wilt vergelijken?
Is de laatste letter van het woord een -r ( duur, lekker)  Wat schrijf je dan achter het woord?
Sommige woorden zijn onregelmatig. Geef een voorbeeld.
Welk woord gebruik je vaak als je 2 dingen/mensen/dingen wilt vergelijken?
Welk woord gebruik je als er geen verschil is?


Slide 17 - Slide

Groep 1 ( A2) 
TaalCompleet

Uitleg

Kijk naar het bord!



                            Groep 2 ( A1)
Zelfstandig werken TaalCompleet        1. Maak de boekopdrachten
    Online luisteren!
    Maak alle boekopdrachten!
2. Corrigeer de boekopdrachten     
                   (Online)
Niet antwoorden overschrijven
3. Maak de laptop- opdrachten. 90%  
                                                                  groen
                   

Slide 18 - Slide

Bijvoeglijke naamwoorden
klein, wit, groot, lief.  
       Je geeft informatie ( je vertelt meer) over een ding, mens of dier
De witte stoel. De stoel is wit             De grote stoel.  De stoel is groot
De mooie stoel. De stoel is mooi       De houten stoel. de stoel is van hout
De grijze stoel. De stoel is grijs.

de ....man - het.... boek- het boek is........... -de ......tafel-  het..... paard-  
de........ ezel- het .............meisje- het meisje is........


Slide 19 - Slide

1.15 blz. 42  ( woordenlijst)

Je leert dat je met een bijvoeglijk naamwoord  dingen, mensen en dieren kunt vergelijken.

Een  mooie broek. Deze trui is mooier.

Slide 20 - Slide

1.15 blz. 42  ( woordenlijst)
Als je mensen, dingen, dieren met elkaar wilt vergelijken , zet je meestal -er achter het woord.
Klein           Het kind is klein. De baby is kleiner dan het kind.
Is de laatste letter van het woord een r ? duur  - duurder
 Duur        Een laptop is duur. Een auto is duurder dan een laptop.

Sommige woorden zijn onregelmatig. Die moet je uit je hoofd leren.
goed        Ik vind die film goed. Ik vind het boek beter dan het boek
veel          heb je veel zin in ijs.  Of heb je meer zin in patat dan ijs.

Is er geen verschil? Zeg dan : Het kind en de baby zijn even klein.       even duur

Slide 21 - Slide

1.15 blz. 42  ( woordenlijst)
Vul in. gebruik dan

gezond     De appels zijn..................................................... koekjes.
snel          Een auto gaat.....................................................een fiets.
klein         Een dorp is...........................................................een stad.
graag       Samira gaat ...........................zwemmen..............................naar school.
lekker       Een pizza is...........................................................................een patat.
mooi         Een groene jurk is.................................................................een zwarte jurk.

Slide 22 - Slide

1.15 blz. 42 ( woordenlijst)
Wat zet je achter een woord ( klein, mooi) als je mensen, dieren of dingen wilt vergelijken?
Is de laatste letter van het woord een -r ( duur, lekker)  Wat schrijf je dan achter het woord?
Sommige woorden zijn onregelmatig. Geef een voorbeeld.
Welk woord gebruik je vaak als je 2 dingen/mensen/dingen wilt vergelijken?
Welk woord gebruik je als er geen verschil is?


Slide 23 - Slide