This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 30 min
Items in this lesson
1. Lesopening
2.Uitdelen wisbordjes
3.Proeftoets via digibord
4.Test jezelf online maken
Slide 1 - Slide
3. Proeftoets Hoofdstuk 5
Rondkomen
Slide 2 - Slide
Toetsinstructie
De toets bestaat uit 20 vragen .
Lees bij elke opdracht steeds eerst de vraag. Vul daarna het juiste antwoord in op je wisbordje.
Slide 3 - Slide
Wesley en Jur praten over de uitgaven van gezinnen. Jur zegt: ‘De uitgaven van gezinnen hebben niets te maken met hun inkomsten.’ Wesley zegt: ‘Gezinnen kunnen hun geld maar één keer uitgeven.’ Wie heeft gelijk?
A
Geen van beiden
B
Wesley
C
Jur
D
Beide
Slide 4 - Quiz
Guido wil weten hoeveel hij per maand kan uitgeven. Wat moet hij daarvoor doen?
A
Kijken wat er op zijn bankrekening staat
B
Uitrekenen hoeveel inkomsten hij per maand heeft
C
Zijn geld tellen
Slide 5 - Quiz
Anouk koopt een pak papieren zakdoeken, een paar sportschoenen en een zonnebril. Bij welke aankoop is er sprake van een verbruiksgoed?
A
Bij de papieren zakdoeken
B
Bij de sportschoenen
C
Bij de zonnebril
Slide 6 - Quiz
Lisa heeft de volgende uitgaven voor haar auto: - € 49,50 voor een kleine reparatie; - € 60 voor benzine; - € 73 voor de motorrijtuigenbelasting. Welk uitgave hoort bij de vaste lasten?
Slide 7 - Open question
Bekijk het staafdiagram. Paul betaalt het abonnement op de krant per kwartaal. Dat gebeurt automatisch op de dag voor er een nieuw kwartaal begint. Paul wil weten wanneer er opnieuw geld van zijn bankrekening afgaat voor de krant.
Slide 8 - Open question
Bram betaalt zijn abonnement op de krant, de huur van zijn woning en de reparatie van de wasmachine. Welke uitgave is een incidentele uitgave?
A
Abonnement op de krant
B
Huur van de woning
C
Reparatie van de wasmachine
Slide 9 - Quiz
Hugo spaart voor een Xbox. Hij kan hier € 30 per maand voor opzijleggen. De Xbox kost € 210. Hoeveel maanden moet hij sparen?
Slide 10 - Open question
Evi spaart voor een pony. Het dier kost € 900. Ze wil dat bedrag in 12 maanden bij elkaar sparen. Hoeveel moet ze per maand sparen?
Slide 11 - Open question
Bekijk de tabel. Liam komt precies rond met zijn budgetten. Bereken hoeveel inkomsten daarvoor nodig zijn. Schrijf je berekening op.
Slide 12 - Open question
Liam geeft in een maand de volgende bedragen uit: - € 165 aan persoonlijke uitgaven; - € 235 aan huishoudelijke uitgaven; - € 625 aan vaste lasten; - € 45 aan incidentele uitgaven. Vergelijk deze bedragen met zijn budgetten in de tabel. Wat is jouw conclusie over deze maand?
A
Hij komt precies rond
B
Hij spaart € 100,-
C
Hij komt € 100,- tekort
Slide 13 - Quiz
Bekijk de tabel. Friso's maandelijkse kosten stijgen met €110. Zijn salaris gaat met €25 omhoog. Hij bespaart €40 per maand op persoonlijke dingen.
Hoeveel moet hij nog besparen op incidentele uitgaven? Schrijf de berekening op.