Les 5 : Herhaling en eindopdracht.

1 / 39
next
Slide 1: Slide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Planning
  • Lesdoelen bespreken
  • Terugblik theorie CVA bloedig en onbloedig.
  • Restklachten na CVA 
  • Revalidatie na CVA
  • Bij tijd over: Werken aan de eindopdracht.
  • Planning vrijdag

Slide 2 - Slide

Lesdoelen
  • Na de les benoem je het verschil tussen een bloedig en onbloedig CVA.
  • Na de les benoem je de symptomen van een CVA
  • Na de les kun je vertellen wat de rest verschijnselen zijn van een CVA
  • Na de les kun je vertellen wat het revalidatie traject inhoudt van een CVA.

Slide 3 - Slide

Terugblik vorige les
Helaas van 5 studenten geen antwoord ontvangen. Wat gaat hier fout?
Schijt aan de juf? 
Geen zin?
Niet leuk?

Vragen film:
" Ik besef me dat je niet snel moet oordelen over mensen, omdat er zoveel meer aan de hand kan zijn dan je aan de buitenkant kunt zien. "

"Een enge gedachte dat je niks meer kan en alles opnieuw moeten leren, als volwassene zijnde."



Slide 4 - Slide

Een hemiparese rechts betekent dat:
A
De rechterkant van het lichaam is verlamd
B
Er een bloeding is geweest in de rechter hersenhelft
C
De rechter lichaamshelft is verlamd maar de zorgvrager kan linker been en arm nog beetje gebruiken
D
Alle antwoorden zijn onjuist

Slide 5 - Quiz

Wat is het verschil tussen een CVA en een TIA?
A
Bij een CVA is iemand altijd verlamd
B
Geen verschil
C
Een tia is een herseninfarct en een CVA is een hersenbloeding
D
Bij een TIA zijn de verschijnselen na 24 uur over

Slide 6 - Quiz

Risicofactoren voor een CVA zijn:
A
Roken en overmatig alcohol gebruik
B
Onregelmatige hartslag en diabetes
C
Hoge bloeddruk en vaatziekten
D
Alle bovengenoemde antwoorden zijn goed

Slide 7 - Quiz

Een onbloedige vorm van een CVA is:
A
Een hersentumor
B
Een TIA
C
Een herseninfarct
D
Een hersenbloeding

Slide 8 - Quiz

Met een CVA bedoelen we:
A
Een hersenbloeding en een herseninfarct
B
Een TIA
C
Een herseninfarct
D
Een hersenbloeding

Slide 9 - Quiz

Stelling:
De hersenvliezen beschermen hersenen en ruggenmerg
A
Juist
B
Onjuist

Slide 10 - Quiz

De gevolgen van een CVA zijn afhankelijk van:
A
De grootte van de hersenvliezen
B
De dikte van de bloedvaten
C
Het deel van de hersenen dat is beschadigd
D
Het deel dat beschadigd is en de hoeveelheid weefsel

Slide 11 - Quiz

Een subduraal hematoom veroorzaakt hersenbeschadiging door druk op het hersenweefsel
A
Goed
B
Fout

Slide 12 - Quiz

Zorgvragers met diabetes hebben een verhoogd risico op het krijgen van CVA
A
Juist
B
Onjuist

Slide 13 - Quiz

Bij afasie is altijd sprake van een stoornis in het begrip
A
waar
B
niet waar

Slide 14 - Quiz

Een TIA is een voorbijgaande aanval van zuurstofgebrek van de hersenen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 15 - Quiz

Een gevolg van CVA kan een hemiparese zijn. Dit is:
A
1 kant last van spiertrekkingen
B
Kan beide kanten niet goed meer bewegen
C
Kan 1 kant niet goed meer bewegen.
D
De zorgvrager heeft een spraak gebrek

Slide 16 - Quiz

Primaire preventie van bij een CVA is:
A
Toedienen van aspirine
B
Levensstijl aanpassen: stoppen met roken etc
C
Bedrustcomplicaties voorkomen
D
Alle genoemde + regelmatig tensie meten

Slide 17 - Quiz

Hemiplegie is gevolg van CVA: Wat is hemiplegie?
A
De zorgvrager is aan 1 kant verlamd
B
De zorgvrager bloedarmoede heeft
C
De zorgvrager is aan 1 kant blind.
D
De zorgvrager heeft een bloeding in 1 hersenhelft gehad.

Slide 18 - Quiz

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Video

Wat voor bijzonderheden verwacht je bij de persoonlijke zorg bij mensen met een CVA?

Slide 28 - Open question

Wat betekent de chronische fase
A
Dit is de fase wanneer het letsel net is gebeurd
B
De herstelfase, dat je alles opnieuw leert
C
De fase waarin je alles evalueert
D
Dat duidelijk wordt hoe je leven er met letsel uitziet

Slide 29 - Quiz

Zichtbare gevolgen
Onzichtbare gevolgen
Geheugenstoornissen
Hemiparese
Verstoorde controle
Taalstoornissen
Hemianopsie
Concentratiestoordnissen

Slide 30 - Drag question

Afasie
Afasie is het verlies van het vermogen om taal te spreken en/of gesproken taal te begrijpen.  Hierin heb je de motorisch en sensorische afasie: 
Motorische afasie leidt vooral tot problemen met het uitspreken van woorden, terwijl sensorische afasie problemen veroorzaakt met het begrijpen van taal.
  

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Video

Apraxie
Apraxie is het onvermogen om kleine complexe handelingen te verrichten

Slide 33 - Slide

Slide 34 - Video

Agnosie
Visuele agnosie : Onvermogen om objecten te herkennen via zicht, ondanks goed gezichtsvermogen.
Voorbeeld: Iemand ziet een pen maar herkent het niet als een pen, totdat hij het vastpakt.

Auditieve agnosie: Moeite met het herkennen van geluiden, ondanks goed gehoor.
Voorbeeld: Iemand hoort een hond blaffen, maar kan het geluid niet linken aan een hond.

Tactiele agnosie (astereognosie) – Niet kunnen herkennen van objecten door aanraking.

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Video

Wat heb je vandaag geleerd dat je voor deze les nog niet wist?

Slide 37 - Open question

Wat kan er volgende keer beter in de les?

Slide 38 - Open question

Slide 39 - Link