- Een voorzetsel kan in een zin een plaats, tijd, middel, richting, oorzaak of reden aangeven.
Vanwege een lekke band kwam ik te laat op school. (reden)
Voor de les begint ga ik even naar mijn kluisje. (tijd, richting)
Door de heftige regenval is de rivier overstroomd. (oorzaak)
Op mijn school is er een telefoonbeleid ingesteld. (plaats)
Met deze boor kun je in het plafond boren. (middel, plaats)