Grammatica 4.7 enkelvoudige en samengestelde zinnen

Deze les 
Leren voor de toets
Lezen
Extra uitleg over enkelvoudige/samengestelde zinnen
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Deze les 
Leren voor de toets
Lezen
Extra uitleg over enkelvoudige/samengestelde zinnen

Slide 1 - Slide

Lesdoel
Na deze les weet je wat enkelvoudige en samengestelde zinnen zijn en heb je hiermee geoefend.

Slide 2 - Slide

Enkelvoudige zin
Zin waarin een persoonsvorm staat.
Een enkelvoudige zin is altijd een hoofdzin.
Persoonsvorm  en onderwerp staan naast elkaar.

De leerlingen luisteren goed naar de uitleg.


Slide 3 - Slide

Samengestelde zin
Bestaat uit twee of meer zinnen.
  • twee hoofdzinnen: 

  • een hoofdzin en een bijzin:

Slide 4 - Slide

twee hoofdzinnen
Hij luistert goed naar zijn zangcoach, want hij wil later zanger worden.
Ik ga morgen naar school, dus ik moet vroeg op.

Persoonsvorm en onderwerp staan naast elkaar.

Slide 5 - Slide

een hoofdzin en een bijzin
  • In een bijzin staan alle werkwoorden, inclusief de persoonsvorm, aan het eind van de zin. 
Hij luistert goed naar zijn zangcoach, omdat hij later zanger wil worden.
  • Het woord dat de twee zinnen aan elkaar verbindt  (omdat) hoort bij de bijzin.
  • Tussen de zinnen van een samengestelde zin zet je dubbele zinsdeelstrepen.

Slide 6 - Slide

Hij | luistert | goed | naar zijn zangcoach , || omdat |  hij  | later  | zanger  | wil | worden.

Slide 7 - Slide

Hoofdzin+bijzin
Hij fietst naar huis, omdat hij geen chipkaart heeft.

Hoofdzin+hoofdzin
Hij fietst naar huis, want hij heeft geen chipkaart.

Slide 8 - Slide

Bijzin en hoofdzin
bijzin+hoofdzin
Omdat hij geen chipkaart heeft, fietst hij naar huis,

Hoofdzin+hoofdzin
Hij fietst naar huis, want hij heeft geen chipkaart.

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Mijn moeder zoekt Ollie, omdat ze de kat kwijt is.
A
Twee hoofdzinnen
B
Een hoofdzin en een bijzin

Slide 11 - Quiz

Jan gaat zijn huiswerk voor Nederlands maken, want hij wil voor de toets een goed cijfer.
A
Twee hoofdzinnen
B
Een hoofdzin en een bijzin

Slide 12 - Quiz

Terwijl buiten de zon schijnt, zit ik binnen huiswerk te maken.
A
Twee hoofdzinnen
B
Een hoofdzin en een bijzin

Slide 13 - Quiz

Ik ben heel erg moe, dus ik ga zo slapen.
A
Twee hoofdzinnen
B
Een hoofdzin en een bijzin

Slide 14 - Quiz

Aan de slag!

- Opdrachten uit studiewijzer

- Cambiumned.nl - Zinsdelen 
Extra oefenen met WG/NG

Doe mee met de uitleg!

Slide 15 - Slide

WG / NG

Slide 16 - Slide

Wat kan je mij vertellen over WG/NG

Slide 17 - Open question

Jij bent ook spits, toch

Slide 18 - Slide


Bij een naamwoordelijk gezegde heb je ALTIJD een...
A
Zelfstandig werkwoord
B
Koppelwerkwoord

Slide 19 - Quiz

Een naamwoordelijk gezegde heeft:
A
minstens twee werkwoorden
B
meestal één koppelwerkwoord
C
tenminste één zelfstandig werkwoord
D
meestal geen werkwoorden

Slide 20 - Quiz

Wat noteer je bij het naamwoordelijk gezegde?
A
koppelwerkwoord + naamwoordelijk deel + rest werkwoorden
B
koppelwerkwoord
C
koppelwerkwoord + een kernmerk of eigenschap van het onderwerp
D
alle werkwoord

Slide 21 - Quiz

wwg of nwg?
Dat concert van Harry Styles blijkt erg goed te zijn
A
wwg
B
nwg

Slide 22 - Quiz

wwg of nwg?
Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest!
A
wwg
B
nwg

Slide 23 - Quiz

wwg of nwg?
Mijn ouders waren erg teleurgesteld in mij.
A
wwg
B
nwg

Slide 24 - Quiz

Op dinsdag stonden honderden mensen in de rij van de Berliner Zoo.
A
wwg
B
nwg

Slide 25 - Quiz

Het ijsbeertje Knut was toen al beroemd.
A
wwg
B
nwg

Slide 26 - Quiz

Iedereen wilde Knut zien.
A
wwg
B
nwg

Slide 27 - Quiz

Het ijsbeertje is op 5 december 2006 geboren.
A
wwg
B
nwg

Slide 28 - Quiz

Het werd door zijn moeder verstoten.
A
wwg
B
nwg

Slide 29 - Quiz

Aan de slag!

- Opdrachten uit studiewijzer

- Cambiumned.nl - Zinsdelen 

In stilte, voor jezelf
Ik loop rond voor vragen

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide