week 13 Havo

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer?
  • Nakijken huiswerk 
  • periodo 3
  • pretérito perfecto
  • vocabulario: signaalwoorden
  • Bezittelijke voornaamwoorden
Semana 13
1 / 17
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 17 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 180 min

Items in this lesson

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer?
  • Nakijken huiswerk 
  • periodo 3
  • pretérito perfecto
  • vocabulario: signaalwoorden
  • Bezittelijke voornaamwoorden
Semana 13

Slide 1 - Slide

¡Hola chicos!
Ik ben er vandaag niet. Jullie krijgen van de waarnemer een werkblad. Hiermee kunnen jullie met de toetsstof oefenen. Zorg dat deze volgende les af is.  In deze lessonup staat nog een keer de uitleg van de grammatica (deze staat ook in je boekje).
Aan het einde van de lessonup heb ik drie linkjes met de woorden die in quizlet staan gezet. Hier kun je ook nog mee oefenen. 
¡Hasta la próxima semana! 

Slide 2 - Slide

Los deberes
L: woorden blok 1, 2 en 3
Leren: Pretérito perfecto regelmatige + onregelmatige werkwoorden en de beklemtoonde bezittelijke voornaamwoorden.
Maken:   LA p. 53 OPDR 7,8   p. 61 OPDR 4
Maken: LE 3.1 TM 3.9, 3.14 TM 3.17LE 3.11, 3.18 TM 3.21


Slide 3 - Slide

Leerdoelen
  • Ik kan praten over acties in het verleden die nog in relatie staan tot het heden met de pretérito perfecto.
  • Ik ken de regelmatige en onregelmatige vervoegingen in de p. perfecto.
  • Ik ken de signaalwoorden die horen bij de pretérito perfecto.
Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Zo kan ik vertellen en begrijpen wat iemand heeft gedaan of wat er is gebeurd. 

Slide 4 - Slide

El pretérito perfecto.
Welke hulpwerkwoorden voor de voltooide tijd ken je in het Nederlands?
haber
(yo)
(tú) 
(él/ella/ud) 
(nosotros) 
(vosotros) 
(ellos/ellas/uds.) 
hebben, zijn
voltooid deelwoord
hablar --> hablado
comer --> comido
vivir --> vivido
he
has
ha
hemos
habéis
han
Librito p. 19-20

Slide 5 - Slide

El pretérito perfecto.
Welke hulpwerkwoorden voor de voltooide tijd ken je in het Nederlands?
haber
(yo)
(tú) 
(él/ella/ud) 
(nosotros) 
(vosotros) 
(ellos/ellas/uds.) 
hebben, zijn
voltooid deelwoord
hablar --> hablado
comer --> comido
vivir --> vivido
he
has
ha
hemos
habéis
han
(no)
(me)
(te)
(se)
(nos)
(os)
(se)
wederkerende werkwoorden
Librito p. 19-20

Slide 6 - Slide

El pretérito perfecto.
Welke hulpwerkwoorden voor de voltooide tijd ken je in het Nederlands?
haber
(yo)
(tú) 
(él/ella/ud) 
(nosotros) 
(vosotros) 
(ellos/ellas/uds.) 
hebben, zijn
voltooid deelwoord
hablar --> hablado
comer --> comido
vivir --> vivido
he
has
ha
hemos
habéis
han
(no)
lo
la
los
las
lijdend voorwerp als persoonlijk vnw.
Librito p. 19-20

Slide 7 - Slide

  • Tussen de vorm van haber en het voltooid deelwoord mag niets komen te staan!
  • Persoonlijke voornaamwoorden staan voor de vorm van haber:
    vb: me he levantado temprano. - Ik ben vroeg opgestaan.
    vb: Lo ha comprado José. - Die heeft José gekocht. 
Librito p. 19-20

Slide 8 - Slide

onregelmatige vormen 
abrir
descubrir
hacer
poner
ver
decir
escribir
ir
ser
volver
morir
romper
pretérito perfecto
abierto
descubierto
hecho
puesto
visto
dicho
escrito
ido
sido
vuelto
muerto
roto
Librito p. 19-20

Slide 9 - Slide

Leerdoelen
  • Ik kan de beklemtoonde bezittelijke voornaamwoorden gebruiken.
Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Zo kan ik vertellen en begrijpen van wie iets is.  (La bicicleta es tuya.)
  • Zo kan ik benadrukken/verduidelijken van wie iets is. (Este libro es mío, no tuyo.) 
  • Zo kan ik een tegenstelling benadrukken.  (Mis amigos son muy divertidos, pero los tuyos son muy serios.)

Slide 10 - Slide

In welke situaties kun je dit bijvoorbeeld tegenkomen?

- In een B&B in Spanje wordt jullie je kamer aangewezen. 
Esta habitación es suya. (Deze kamer is van u)
Estas llaves son suyas. (Deze sleutels zijn van u)

- In de bus vraagt iemand of de tas van jou is.
Este bolso, ¿es tuyo? (Is deze tas van jou)
No, este es mío.(Nee, dit is de mijne.) 



Slide 11 - Slide

Beklemtoond bez. vnw.
UNOS EJEMPLOS
  • Este es mi cuaderno. (Dit is mijn schrift.)
  • Este cuaderno es mío. (Dit schrift is van mij.)
  • ¿De quién es esta mochila? Es mía. (Die is van mij).
  • ¿Estos libros son tuyos? (Zijn deze boeken van jou?)
  • No, son suyos. (Nee, die zijn van hem/haar.)
  • Estos son los míos. (Dit zijn de mijne.)

Slide 12 - Slide

Bezittelijk vnw.

Slide 13 - Slide

Beklemtoond bez. vnw.
Librito p. 21-22

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Link

Slide 16 - Link

Slide 17 - Link