6 ET EW ECO - Markt6 - Geldsysteem

EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Wat gaan we deze les doen?
  • Verkeersvergelijking Fisher
  • Consumentenindex
  • Vooruitblik : toets 27 maart Geldsysteem
  • Terugblik

Slide 2 - Slide

Wat gebeurt er met de gemiddelde omloopsnelheid van het geld als het goed gaat met de economie?
A
De omloopsnelheid blijft gelijk
B
De omloopsnelheid stijgt
C
De omloopsnelheid daalt

Slide 3 - Quiz

Op welke manier kan de centrale bank de geldhoeveelheid vergroten?

Slide 4 - Open question

Taken centrale bank
Monetair beleid
Controlerende functie (financiële sector: beheren veel geld)
  • Solide door risico's
  • Integriteit van bestuurder

Uitgave van bankbiljetten (ECB/ controle echtheid 
Externe reserves (vertrouwen: goed en internationale valuta)

Slide 5 - Slide

Waaruit bestaat de
financiële sector?

Slide 6 - Mind map

Prijsstabiliteit 
Inflatie en deflatie kent iedereen natuurlijk wel;
Uitgangspunt is het CPI (gewogen prijsindex);
Hyperinflatie is niet best; Zimbabwe had in 2008 2.2miljoen procent;
Er zijn verschillende vormen van inflatie/deflatie:
  • Bestedingsinflatie
  • Kosteninflatie

Slide 7 - Slide

Noem drie redenen waarom de ECB de inflatie rond de 2% wil houden.

Slide 8 - Open question

Monetair beleid
Centrale banken staan hierin centraal;

Geldmarkt
De geldmarkt bestaat uit korte kredieten;
De centrale banken hebben een spilfunctie op de geldmarkt;
Zero lower bound aka nul ondergrens;

Slide 9 - Slide

Monetair beleid
Kapitaalmarkt
De centrale banken hebben hier geen directe invloed op de rente;
Openmarkt politiek -> centrale bank komt zelf op de markt;
Kwantitatieve verruiming.


Er is een verschil tussen de ECB en de Fed.

Slide 10 - Slide

Waarom heeft de ECB wel invloed op de geldmarkt rente maar niet op die van de kapitaalmarkt?
A
Omdat de ECB geen kapitaal kan aantrekken
B
Omdat de rentes van de kapitaal markt altijd vast staan
C
De ECB kan alleen de rente van de geldmarkt beïnvloeden

Slide 11 - Quiz

Welke gevolgen heeft de lage rentestand voor de geldmarkt?

Slide 12 - Open question

Verkeersvergelijking van Fisher

M x V = P x T
M: maatschappelijke geldhoeveelheid
V: omloopsnelheid
P: nationaal prijsniveau
T: omvang van transacties

Slide 13 - Slide

Verkeersvergelijking van Fisher

M x V = P x Yr
M: maatschappelijke geldhoeveelheid
V: omloopsnelheid
P x Yr = het nominale bbp

Slide 14 - Slide

Nederland heeft een nominaal bbp van € 812 miljard. De maatschappelijke geldhoeveelheid in Nederland is € 340 miljard.
Wat is de omloopsnelheid in Nederland?

Slide 15 - Open question

Verkeersvergelijking van Fisher
Nederland heeft een nominaal bbp van € 812 miljard. De maatschappelijke geldhoeveelheid in Nederland is € 340 miljard. Wat is de omloopsnelheid in Nederland?

Berekening:
340 x V = 812
812/340=2,4

Slide 16 - Slide

Verkeersvergelijking

Productiecapaciteit wordt volledig benut
Omloopsnelheid is constant
M x V = P x Yr
Toename van geldhoeveelheid leidt tot toename van prijsniveau

Slide 17 - Slide

Stelling: Als het prijspeil stijgt, neemt het BBP reëel toe.

A
Juist
B
Onjuist

Slide 18 - Quiz

Terugblik
  • De studenten weten aan het einde van de les uitleggen wat motieven kunnen zijn om geld op te potten dan wel uit te geven en kunnen de overige taken van de centrale banken benoemen.  
  • De student kent de verkeersvergelijking van Fisher en kan deze toepassen.
  • De student kan verklaren waarom geld op de lange termijn neutraal is (aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher)de student kan verklaren waarom geld op de lange termijn neutraal is (aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher).
  •  Na deze les is het duidelijk voor de student hoe je voor prijsstabiliteit kan zorgen in een economie.
  • Na deze les kan de student uitleggen wat voor gevolgen rente heeft op de geld- en kapitaal markt.

Slide 19 - Slide

Feedback

Slide 20 - Mind map