3.7 Grammatica les 1 1KGT

3.7 Grammatica
timer
1:00
  • Werkboek, etui en laptop op de hoek van je tafel
  • Ga rustig zitten.
1 / 38
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, gLeerjaar 1

This lesson contains 38 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 35 min

Items in this lesson

3.7 Grammatica
timer
1:00
  • Werkboek, etui en laptop op de hoek van je tafel
  • Ga rustig zitten.

Slide 1 - Slide

Vandaag
timer
1:00
  • Toets bespreken
  • Vragen over instructiefilmpje
  • Start grammatica
  • Evaluatie docent

Slide 2 - Slide

Toetsen Nederlands periode 3
  •         Kijk- en luistertoets
  •         Spreekvaardigheid (instructiefilmpje)
  •         Leesvaardigheid en woordenschat (H4 & 5) 

Slide 3 - Slide

Vandaag
- Start Grammatica
timer
14:00

Slide 4 - Slide

  • hoe je het werkwoordelijke gezegde (wg) vindt
  • hoe je het onderwerp (O) in een zin vindt
  • hoe het lijdend voorwerp (lv) in een zin vindt


3.7 Grammatica
In deze paragraaf leer je:

Slide 5 - Slide

  • De persoonsvorm (pv)
  • Is altijd een werkwoord, je gebruikt de vraagproef of tijdproef

  • Het werkwoordelijk gezegde (wg)
  • De pv + alle andere werkwoorden in de zin

  • Het onderwerp (ond)
  • Stel de vraag : wie of wat vraag + het wg?


3.7 Grammatica - herhaling
Hoe vind je ook al weer:

Slide 6 - Slide

  • De pv, het ond, het wg zijn zinsdelen
  • De zinsdelen zet je tussen zinsdeelstrepen |
  • Zinsdelen kan je verschuiven in de zin.

  • Bijvoorbeeld
     | De oude man | heeft | op zijn gitaar | gespeeld. |
     | Op zijn gitaar | heeft | de oude man | gespeeld. |


3.7 Grammatica - herhaling
Hoe zat het ook al weer met zinsdelen?

Slide 7 - Slide

Het werkwoordelijke gezegde (wg) bestaat uit alle werkwoorden in de zin.
Het wg bestaat dus uit: de pv + alle andere werkwoorden.

Bijvoorbeeld:
       O          wg                                wg
   | Johan | gaat |een nieuw auto | kopen.| 
3.7 Grammatica
Leertekst werkwoordelijk gezegde 1 blz. 242

Slide 8 - Slide

Het werkwoordelijke gezegde (wg) bestaat uit alle werkwoorden in de zin.
Het wg bestaat dus uit: de pv + alle andere werkwoorden.

Bijvoorbeeld:
       O      wg                               wg
   | Julia | wil | haar huiswerk |maken.| 
3.7 Grammatica
Leertekst werkwoordelijk gezegde 1 blz. 242

Slide 9 - Slide

  • Ook jouw docent (Nederlands) wordt beoordeeld.
  • Door andere docenten, directie en door jullie....!
  • Daarom verzoek om zo eerlijk mogelijk de evaluatie (digitaal) in te vullen.
  • Resultaten zijn anoniem.
  • ga naar    mijnles.nu/ 
  • code: NLCXZ0J
evaluatie docent

Slide 10 - Slide

1. Onderstreep de persoonsvorm (pv) - zet gelijk tussen zinsdeelstrepen |
2. Zoek het werkwoordelijke gezegde (wg) - zet gelijk tussen zinsdeelstrepen |
3. Zet wg boven de pv en de wg
4. Zoek het onderwerp (O) 
5. Zet O boven het onderwerp - zet gelijk tussen zinsdeelstrepen |.

6. Zet de pv, het wg en het onderwerp (o) tussen zinsdeelstrepen
3.7 Grammatica
Opdracht op werkblad

Slide 11 - Slide

Maak opdracht 4 en 5 blz. 241 en 242.
3.7 Grammatica
Aan de slag

Slide 12 - Slide

Lees leertekst Werkwoordelijk gezegde 2 (blz. 243)
Maak opdracht 6 en 7 blz. 243.
3.7 Grammatica
Huiswerk

Slide 13 - Slide

1.7 Grammatica - tijdproef pv
Stappenplan tijdproef pv
De pv vind je met de tijdproef pv:
Voorbeeld
 
 
 









1
Zet de zin in een andere tijd:
van de tegenwoordige tijd (tt) naar de verleden tijd (vt) of 
van de verleden tijd (vt) naar de tegenwoordige tijd (tt).
Op het sportveld spelen drie jongens met elkaar.
Tijdproef pv:
Op het speelveld speelden drie jongens met elkaar
2
Het woord dat verandert, is de pv.
spelen is de pv

Slide 14 - Slide

1.7 Grammatica - herhalen
Hoe vind je ook al weer:

  • Het lijdend voorwerp (lv)
  • Je stelt de vraag: Wat + ond + wg?
     
  • De zinsdelen
  • De pv, het ond, het wg en het lv zijn zinsdelen
  • De zinsdelen zet je tussen zinsdeelstrepen |
  • De overige zinsdelen gaan over plaats, tijd, hoe

Slide 15 - Slide

1.7 Grammatica
Leertekst: Persoonsvorm 

Je herkent de persoonsvorm zo:
• het is bijna altijd één woord;
• het is een vorm van het werkwoord;
• hij staat in het enkelvoud of in het meervoud (dans – dansen);
• hij staat in de tegenwoordige tijd (tt) of in de verleden tijd (vt) (dans – danste).



Slide 16 - Slide

Zelfstandig werken
Oefenen voor de toets
  • Woorden 2.5 en 3.5 oefenen bijvoorbeeld via Max Online - woordtrainer
  • Doornemen leerteksten hoofdstuk 2.3 en 3.3 Lezen

  • Pim-Pam-Pet spelen

  • Oefenen voor andere toetsen

Slide 17 - Slide

Wat je moet weten voor de toets.
  • Wat feiten en meningen zijn.  (H2)
  • De signaalwoorden van een opsomming. (H2)
  • Wat een alinea is en hoe je die herkent. (H3)
  • Wat een kernzin en toelichting is. (H3)
  • Het herkennen van hoofdzaken en bijzaken. (H3)
  • De signaalwoorden van een tegenstelling. (H3)
  • De woorden en betekenissen van hoofdstuk 2 en 3.

Slide 18 - Slide

Oefenen met de woorden
Maak de oefentoets Woorden.
Je mag je werkboek erbij gebruiken
timer
15:00

Slide 19 - Slide

Woordbingo
Maak de oefentoets Woorden.
Je mag je werkboek erbij gebruiken
timer
15:00

Slide 20 - Slide

3.3 Woordenbingo
  • Je krijgt een lege 'bingokaart' met 9 vakjes.
  • Je vult in elke vakje een woord in hoofdstuk 3 blz. 221
  • Op het bord draait het 'Rad met de Betekenissen' 
  • Stopt het Rad bij een betekenissen waar jij het woord van hebt opgeschreven, dan zet je daar een kruis doorheen.
  • Wie heeft het eerst 'WoordBingo'!!!



Slide 21 - Slide

3.5 Woorden
In deze paragraaf leer je:
  • 25 nieuwe woorden
  • wat tegenstellingen zijn

Slide 22 - Slide

- Lees de 25 nieuwe woorden op blz. 221
- Oefen 10 minuten met je buurman/vrouw.
   Van welke woorden ken je de betekenis
   wel/een beetje/helemaal niet?
Vandaag 3.5 Woorden

Slide 23 - Slide

- Samen lezen tekst 1 blz. 222
- Maak de opdracht 3, 4 en 5 (blz. 222-223) 


Vandaag 3.5 Woorden

Slide 24 - Slide

- Maak opdracht 6 en 7 blz. 224) Oefen thuis de 
- Woorden en betekenis van blz. 221
- Oefen dit ook met Woordtrainer van Max Online 
   of met Test Jezelf


3.5 Woorden - huiswerk

Slide 25 - Slide

3.3 Lezen
In deze paragraaf:
  • leer je alinea's herkennen
  • kernzinnen in een alinea aanwijzen
  • hoofd- en bijzaken onderscheiden
  • signaalwoorden van een tegenstelling herkennen

Slide 26 - Slide

Vandaag
  • Bespreken huiswerk opdr. 11 t/m 14 blz. 198-201
  • Aan de slag met signaalwoorden: tegenstelling.
  • Oefenen met woorden van hoofdstuk 2

Slide 27 - Slide

3.3 lezen - even herhalen
  • Waar vind je meestal de kernzin?
  • => Meestal is het de eerste zin van de alinea.

  • Wat is een alinea?
  • => Een stukje tekst, dat over een deel van het onderwerp gaat.
           In een tekst kunnen meerdere alinea's zitten.

Slide 28 - Slide

Woorden - even oefenen
  • Wat  betekent het onderstreepte woord?
     
    Die jongen is altijd zo attent, hij neemt altijd een cadeautje mee.
  • => met zorg en aandacht voor anderen

  • Wat betekent het onderstreepte woord?
     
    De klas nam het initiatief voor een inzamelingsactie.
  • => wat je als eerste voorstelt of doet.

  • Wat betekent het onderstreepte woord?
      De opdracht die hij inleverde was echt volmaakt
  • => perfect, foutloos

Slide 29 - Slide

Aan de slag
  • Bespreken huiswerk
    - Opdracht 11 t/m 14  blz. 198-201

Slide 30 - Slide

3.3 Lezen - signaalwoorden (blz. 201)
Je weet al dat signaalwoorden een verband aangeven tussen woorden, zinnen of alinea’s.
  • Je hebt al eerder de signaalwoorden bij een opsomming geleerd, zoals: 
      als eerste, bovendien, verder, daarnaast, ook, tot slot.
      Bijvoorbeeld: Als eerste rende hij naar boven. Daarnaast nam hij onderweg
      snel zijn schooltas mee. Als laatste deed hij zijn kamerdeur op slot.  

  • Er zijn ook signaalwoorden die een tegenstelling aangeven, zoals
      maar, daarentegen, echter, toch, integendeel.
      Bijvoorbeeld: Het regent keihard, maar ik ga toch buitenspelen.
                                Ik had goed met haar afgesproken, toch kwam ze niet opdagen.





Slide 31 - Slide

Aan de slag
  • Maken opdracht 16 t/m 19 blz. 202-203

Slide 32 - Slide

Wat je moet weten voor de toets.
  • Wat feiten en meningen zijn.  (H2)
  • De signaalwoorden van een opsomming. (H2)
  • Wat een alinea is en hoe je die herkent. (H3)
  • Wat een kernzin en toelichting is. (H3)
  • Het herkennen van hoofdzaken en bijzaken. (H3)
  • De signaalwoorden van een tegenstelling. (H3)

Slide 33 - Slide

3.3 Lezen - Kernzin en toelichting (blz. 195)
Een langere tekst is verdeeld alinea’s. De zinnen in een alinea horen bij elkaar. Ze gaan over hetzlefde stukje van het onderwerp (deelonderwerp).

In een alinea staat bijna altijd een kernzin: de zin met de belangrijkste informatie van die alinea. Vaak is het de eerste zin van de alinea.
De andere zinnen zijn een toelichting bij de kernzin. Ze geven uitleg of een voorbeeld.

  • Bijvoorbeeld:
    Emoji zijn symbolen die emoties of plaatjes weergeven. Je kunt er sneller informatie mee overbrengen dan met tekst. Er verschijnen regelmatig nieuwe emoji. Zo kun je tegenwoordig mango’s, lama’s en skateboards versturen.

Slide 34 - Slide

Aan de slag
  • Bespreken huiswerk
    - Opdracht 8 en 9 blz. 196-197
    - Hoofdzaken en bijzaken blz. 198
       en bespreken opdracht 10 blz. 198.
  • Maken opdracht 11 t/m 14 blz. 198 - 201, 

Slide 35 - Slide

3.3 Aan de slag
ERHHW
  • Samen maken opdracht 7 blz. 196
  • Zelfstandig lezen tekst 2 en maken opdracht 8 en 9 blz. 196-197

  • Huiswerk:
  • Lezen tekst Hoofdzaken en bijzaken blz. 198 en maken opdracht 10 blz. 198.
  • Oefenen woorden hoofdstuk 2 blz. 137.

Slide 36 - Slide

Tijd voor Blooket?

Slide 37 - Slide

3.3 lezen 
  • Alinea's herkennen

Slide 38 - Slide