1.2 College H21.3 (24-25)

1 / 48
next
Slide 1: Slide
BiologieHBOStudiejaar 2

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 150 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

1.Wat is de betekenis van Darwins uitdrukking: ‘Afstamming met wijziging’
A
‘Afstamming met wijziging’ wijst op natuurlijke selectie
B
‘Afstamming met wijziging’ wijst op evolutionaire veranderingen gedurende een tijd
C
‘Afstamming met wijziging’ wijst op de gelijkenis tussen ouders en nakomelingen

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

2. Je ontdekt vissen die in een grot leven zonder natuurlijk licht. De vissen hebben geen ogen, maar wel oogkassen. Gebruikmakend van een Lamarckiaans denkproces:
Welke van de volgende zou hiervoor de reden zijn?
A
De vissen bevonden zich in een donkere omgeving en hadden daarom geen ogen nodig. Na verloop van tijd gebruikten ze hun ontwikkelingsenergie voor andere, nuttigere functies, dus omdat ze hun ogen niet gebruikten, raakten ze die kwijt.
B
De vissen hebben nooit ogen gehad, maar evolueren langzaam om ze te krijgen, omdat ze ze ooit nodig zullen hebben.
C
Oorspronkelijk hadden alle vissen in de populatie ogen en konden ze zien. In het donker was er echter geen selectie meer op zicht, en uiteindelijk gingen de ogen verloren als gevolg van willekeurige mutaties.

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

3. Welke van de volgende redenen zou, uitgaande van een darwinistisch denkproces, de reden hiervoor zijn?
A
De vissen bevonden zich in een donkere omgeving en hadden daarom geen ogen nodig. Na verloop van tijd gebruikten ze hun ontwikkelingsenergie voor andere, nuttigere functies, dus omdat ze hun ogen niet gebruikten, raakten ze die kwijt.
B
De vissen hebben nooit ogen gehad, maar evolueren langzaam om ze te krijgen, omdat ze ze ooit nodig zullen hebben.
C
Oorspronkelijk hadden alle vissen in de populatie ogen en konden ze zien. In het donker was er echter geen selectie meer op zicht, en uiteindelijk gingen de ogen verloren als gevolg van willekeurige mutaties.

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

4. De Lamarckiaanse en Darwinistische visie op evolutie delen alle volgende ideeën, behalve:
A
Het leven evolueert in de loop van de tijd.
B
De omgeving speelt een rol in de evolutie.
C
Overerving van generatie op generatie is een sleutelfactor in de evolutie.
D
Organismen hebben een aangeboren drang om complexer te worden.

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

5. Een aantal wetenschappers hebben Darwins denken over evolutie beïnvloed. Welke van de volgende wetenschappers had voorgesteld dat de geologische processen uit het verleden (bijvoorbeeld rivieren die in de loop van de tijd valleien vormden) nog steeds in werking waren?
A
Cuvier
B
Lyell
C
Linnaeus
D
Malthus

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

6. Welke van de volgende feiten werden hem tijdens Darwins rondreis door Zuid-Amerika duidelijk?
A
De aarde moet heel oud zijn.
B
Ongeacht hun leefgebied leken levende Zuid-Amerikaanse organismen meer op elkaar dan op de organismen in Engeland.
C
De Galápagoseilanden werden gekoloniseerd vanaf het continentale vasteland.
D
Alle bovenstaande

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Zeepnootwantsen gebruiken naaldachtige "snavels" om zich te voeden met zaden in de vruchten van verschillende planten. 
Insecten voeden zich het meest succesvol wanneer hun snavellengte overeenkomt met de grootte van het fruit waarmee ze zich voeden. Al 25 jaar voeden populaties van zeepnootwantsen in centraal Florida zich met kleine goudenregenboomvruchten die in het gebied zijn geïntroduceerd, in plaats van met de grotere inheemse ballonwijnstokken die als voedsel dienen voor andere populaties zeepnootwantsen. De snavellengtes van zeepnootwantsen zijn variabel, maar de gemiddelde snavellengte is korter in populaties van zeepnootwantsen die zich voeden met goudregenboomvruchten dan in populaties die zich voeden met ballonwijnstokken, zoals weergegeven in de grafiek. 
Welke invloed heeft natuurlijke selectie op de snavellengte in populaties van zeepnootwantsen?

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Welke invloed heeft natuurlijke selectie op de snavellengte in populaties van zeepnootwantsen?
A
Natuurlijke selectie verhoogt de snavellengte in populaties van zeepnootwantsen.
B
Natuurlijke selectie vermindert de snavellengte in populaties van zeepnootwantsen.
C
De werking van natuurlijke selectie op de snavellengte in populaties van zeepnootwantsen varieert met de omgeving.

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions


Wat gebeurde er in de populatie zeepbesswantsen in centraal Florida toen de insecten zich begonnen te voeden met zaden van de vruchten van de goudenregenboom, die veel dichter bij het vruchtoppervlak liggen?
A
Insecten met kortere snavels hadden meer toegang tot voedsel, waardoor ze meer nakomelingen konden produceren.
B
Wantsen ontwikkelden korte snavels, omdat ze die nodig hadden om zich te voeden met de kleine vruchten.
C
De lengte van de snavel van elk insect werd in de loop van de tijd geleidelijk korter.

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Slide 21 - Video

This item has no instructions

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Slide 23 - Slide

De gekleurde banden (behalve blauw) geven de genen aan die het virus zo besmettelijk maakt.

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Slide 31 - Slide

Met "genestelde" patronen in evolutionaire stambomen bedoelt men dat homologieën, oftewel overeenkomsten tussen organismen die door gemeenschappelijke afstamming zijn ontstaan, zich op een manier organiseren waarbij groepen binnen grotere groepen vallen. 
Deze evolutionaire stamboom is gebaseerd op morfologie en DNA. Wat kan je zeggen over de verwantschap van amfibieën, zoogdieren en vogels (welke zijn meer met elkaar verwant?)

Slide 32 - Open question

This item has no instructions

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Slide 35 - Slide

This item has no instructions

Slide 36 - Slide

This item has no instructions

Slide 37 - Video

This item has no instructions

Slide 38 - Slide

Het sprongbeen (talus of astragalus) is een bot van de enkel dat in de menselijke anatomie het been, voornamelijk het scheenbeen, verbindt met de voet.

Slide 39 - Slide

This item has no instructions

Slide 40 - Slide

This item has no instructions

Slide 41 - Slide

This item has no instructions

Slide 42 - Slide

This item has no instructions

Slide 43 - Slide

This item has no instructions

Slide 44 - Slide

This item has no instructions

Slide 45 - Slide

This item has no instructions

Slide 46 - Slide

This item has no instructions

Slide 47 - Slide

This item has no instructions

Slide 48 - Slide

This item has no instructions