2VG 3.9, 4.9 en 5.9 Spelling

Welkom 
bij 
deze les! 

Hoe was je weekend?
1 / 43
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Welkom 
bij 
deze les! 

Hoe was je weekend?

Slide 1 - Slide

mevrouw Straver

Slide 2 - Slide

Paragrafen 3.9, 4.9, 5.9 Spellingstoets
Wat frissen we op?
- tussen-n in een samenstelling
- voltooid deelwoord
- vd en td als bijvoeglijk naamwoord
- leestekens (trema, apostrof, accentteken)
- Engelse werkwoorden spellen
- koppelteken
- weglatingsstreepje
                                                   + quizje én Tijdschriftproject

Slide 3 - Slide

Fictielezen

Slide 4 - Slide

Tussenletters: -en-


Het eerste woord heeft altijd een meervoud op -en:


krantenbezorger, kippensoep, rozengeur

Slide 5 - Slide

Tussenletter: -e-

Het eerste woord gaat over iets waar er maar één van is.

Het eerste woord heeft een versterkende betekenis.

Het eerste woord heeft meervoud op -en én op -s.


Koninginnedag, apetrots, secondewijzer

Slide 6 - Slide

Tussenletter: -s-

De tussenletter -s- kun je meestal horen.

Begint het tweede woord ook met een s- of s-klank, vervang dan het tweede woord voor 'plein' om de tussenletter te horen.



meningsverschil - varkensstal (varkensplein) en varkensvlees

Slide 7 - Slide

Tussenletter in samenstellingen

Slide 8 - Slide

Wat is fout 
en waarom??

Slide 9 - Slide



Paragraaf 3.9 Spelling

Slide 10 - Slide

het voltooid deelwoord (vd) 
als bijvoeglijk naamwoord (bn) spellen
twee regels: 
Zo kort mogelijk opschrijven: 
  • De weg werd verbreed --> de verbrede weg  
  • De muren worden gewit --> de gewitte muren

Het vd eindigt op -en, dus het bijv. nw schrijven we ook met - en
  • Ik heb mijn boek uitgelezen --> het uitgelezen boek 
  • De deuren zijn gesloten --> de gesloten deuren


Slide 11 - Slide

Het tegenwoordig deelwoord (td) 
als bijvoeglijk naamwoord (bn): +e

Het tegenwoordig deelwoord: de handeling is nog niet voorbij.
        Lachend zitten we in de klas. Blozend stelde ik mezelf voor.

Maar ook als bn:
Het lachende meisje.
De huilende baby.
De blaffende honden


Slide 12 - Slide

Wanneer gebruik je het trema?
 (leestekens in 4.9)


  • Als je in een woord  twee klinkers niet als één klank mag lezen:                         beïnvloeden (beinvloeden); kanoën (kanoen).
  • Woorden op -ee krijgen in het meervoud vaak  -ën:                                               zee - zeeën;  idee- ideeën.
  • Woorden op -ie krijgen in het meervoud vaak -ën (let op de nadruk):              bacterie - bacteriën; kopie- kopieën.
              
  

Slide 13 - Slide

Wanneer gebruik je de apostrof?

  • Wanneer je één of meer lettergrepen weglaat: 
       't Regent.; 's Middags;  's Woensdags; Hij pakt 'm.

  • Bij bezitsaanduidingen met een sisklank of open/ heldere klinker:
       Tess' fiets; Max' rugzak; Isa's gymschoenen; Toby's auto; Inez' boeken.

  • cijfers, afkortingen en afleidingen:                                     
       vwo'er ; tv's; A4'tje;  cd'tje
              
  

Slide 14 - Slide

Wanneer gebruik je het accentteken?
Dit teken zorgt ervoor dat je een woord op de juiste manier leest en uitspreekt of om nádruk te leggen op een lettergreep:

saté;  crème;  Hé of Hè; enquête. 
              
  

Slide 15 - Slide

Wanneer gebruik je het weglatingsstreepje?
 (Paragraaf 5.9)
Wanneer je een deel van een woord kan weglaten: 

Dinsdagochtend en -middag moet ik werken.
op- en afrit
voor- en nawerk
keel-, neus-, en oorarts (kno-arts)


Slide 16 - Slide

Wanneer gebruik je het koppelteken?
  1. Voor de uitspraak bij een klinkerbotsing in samenstellingen: 
       milieu-invloed; horloge-industrie; ski-instructeur.
       maar: horecaonderneming; skiafdaling.
                           
   2. Bij aardrijkskundige namen:  Zuid- Limburg, Noord-              Amerika

Slide 17 - Slide

en... 
  • In samenstellingen met cijfers, letters (afkortingen) en andere tekens:
     90-jarige;  A4-papier;  €-teken ; tl-buis;  wc-papier; dvd-speler
  • dubbele achternamen:  Claudia Leijssen-Stienen
  • functie, rang of titel: minister- president; assistent- teamleider
  • in combinatie met het woordje 'niet' / 'ex' /'oud'/ 'non' en een znw
       niet- roker; ex-voetballer; oud-directeur; non-alcohol
  • gelijkwaardige delen in een samenstelling: woon-werkverkeer; moeder-kindrelatie; zwart-witfoto 

Slide 18 - Slide

Het vervoegen van Engelse werkwoorden 


liken:
pv in tt     Ik like/ wij liken/
pv in vt     Ik likete/ wij liketen
vdw            Ik heb geliket
Je past precies dezelfde regels toe als bij Nederlandse werkwoorden. Soms ga je uit van de Engelse stam, zoals bij saven, deleten en daten.

deleten: 
pv in tt       Ik delete/ wij deleten
pv in vt       Ik deletete/                                          wij deleteten
vdw             Ik heb gedeletet

Slide 19 - Slide

Klinkt het woord Engels in het Nederlands?
Let wel op bij de dubbele medeklinker bij en Engelse uitspraak.
   

Ik heb gebasketbald 
Ik heb gepaintballd. 

Ik pass de bal.
Ik heb de bal gepasst.


Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

tussenletters

A
Tarwebrood
B
Tarwenbrood

Slide 22 - Quiz

tussenletters
A
rijstenpap en stekeblind
B
rijstenpap en stekenblind
C
rijstepap en stekenblind
D
rijstepap en stekeblind

Slide 23 - Quiz

Waarom heeft de samenstelling een tussenletter -e- in beresterk?
A
Het eerste woord gaat over iets waar er maar één van is
B
Het eerste woord heeft een versterkende betekenis
C
Het eerste woord heeft een meervoud op -en én op -s

Slide 24 - Quiz

Waarom heeft de samenstelling een tussenletter -e- in maneschijn?
A
Het eerste woord gaat over iets waar er maar één van is
B
Het eerste woord heeft een versterkende betekenis
C
Het eerste woord heeft een meervoud op -en én op -s

Slide 25 - Quiz

Sjaan (verhuizen) morgen en Job is gisteren (verhuizen)
A
Sjaan verhuisT en Job is verhuisT
B
Sjaan verhuisD en Job is verhuisD
C
Sjaan verhuisT en Job is verhuisD
D
Sjaan en Job verhuisden niet.

Slide 26 - Quiz

Welke bn is juist?
A
De vergrootte foto's
B
De vergrote foto's
C
De vergroten foto's

Slide 27 - Quiz

Welke bn is juist?
A
De beantwoorde vragen
B
De beantwoordde vragen
C
De beantwoorden vragen
D
De beantwoordden vragen

Slide 28 - Quiz

Welke Engels ww is juist gespeld?
A
Hij savede de bestanden
B
Hij savete de bestanden
C
Hij savedde de bestanden
D
Hij zeefde de bestanden

Slide 29 - Quiz

Hij heeft ... (vd)
A
gevolleyballd
B
gevolleyballt
C
gevolleybald
D
gevolleybalt

Slide 30 - Quiz

Hij ......(vd)
A
racte
B
racete
C
racde
D
racede

Slide 31 - Quiz

Wat is juist?
A
mp3-tje
B
s' avonds
C
$-teken
D
milieu's

Slide 32 - Quiz

Welk woord is onjuist geschreven?
A
wc'tje
B
70-jarige
C
A4-tje
D
milieuactiegroep

Slide 33 - Quiz

Welk woorden zijn goed gespeld?
A
vwo'er
B
vwo-leerling
C
havoër
D
havo-leerling

Slide 34 - Quiz

Welk woord is correct gespeld?
A
bacterieën
B
bacteriën

Slide 35 - Quiz

Welke woorden zijn goed gespeld?
A
buiig
B
barbecueën
C
kopiën
D
commercieel

Slide 36 - Quiz

Wat is verkeerd geschreven?
A
Maandagmiddag en - avond
B
binnen- en buitenland
C
zon- en feestdagen
D
bruine- en witte schoenen

Slide 37 - Quiz

Ik begrijp de theorie van
paragrafen 4.9 en 5.9 Spelling
😒🙁😐🙂😃

Slide 38 - Poll

Welk onderdeel vind ik nog lastig?

Slide 39 - Open question

Tijdschriftproject in redacties

Slide 40 - Slide

Wat heb je geleerd?
Hoe ging het in de klas?

Slide 41 - Slide

Spelling
- tussen-n in een samenstelling
- voltooid deelwoord
- vd en td als bijvoeglijk naamwoord
- leestekens (trema, apostrof, accentteken)
- Engelse werkwoorden spellen
- koppelteken
- weglatingsstreepje
                                                   
+ quizje én het Tijdschriftproject

Slide 42 - Slide

De volgende les?
Volgende les: 
Tijdschriftproject
Vragen stellen over de toetsstof van donderdag

Daaropvolgende les:
Toets 3.9, 4.9, 5.9 Spelling
Tijdschriftproject

Slide 43 - Slide