Werkwoorden en persoonsvorm

Werkwoorden en persoonsvorm
  • Je leert wat een werkwoord is.
  • Je leert hoe je een persoonsvorm in een zin kunt vinden.
  • Je gaat oefenen met werkwoorden en persoonsvormen. 
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 3

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes, text slide and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Werkwoorden en persoonsvorm
  • Je leert wat een werkwoord is.
  • Je leert hoe je een persoonsvorm in een zin kunt vinden.
  • Je gaat oefenen met werkwoorden en persoonsvormen. 

Slide 1 - Slide

Wat is werkwoord?

Slide 2 - Open question

Geef voorbeelden van werkwoorden

Slide 3 - Mind map

Slide 4 - Video

Werkwoorden vertellen wat iets of iemand.......
A
heeft
B
wil
C
voelt
D
doet

Slide 5 - Quiz

Wat is het werkwoord in de volgende zin:
Ik ga naar de stad.
A
Ik
B
ga
C
naar
D
stad

Slide 6 - Quiz

Wat is het werkwoord in de volgende zin:
Ik wil graag een nieuwe fiets.
A
Ik
B
wil
C
nieuwe
D
fiets

Slide 7 - Quiz

Wat is het werkwoord in de volgende zin:
Ik ben morgen jarig.
A
ben
B
ik
C
morgen
D
jarig

Slide 8 - Quiz

Wat is het werkwoord in de volgende zin:
Zij loopt door de stad.
A
door
B
stad
C
zij
D
loopt

Slide 9 - Quiz

Wat is het werkwoord in de volgende zin:
Hij vertelt zijn geheim niet door.
A
Hij
B
vertelt
C
geheim
D
door

Slide 10 - Quiz

Slide 11 - Video

Noem een manier hoe je de persoonsvorm (pv) in een zin kunt vinden.
Denk aan het filmpje!

Slide 12 - Open question

De persoonsvorm is altijd een werkwoord.
A
waar
B
niet waar

Slide 13 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:
Ik heb weer zin om naar school te gaan.
A
Ik
B
heb
C
zin
D
gaan

Slide 14 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:
Morgen ga ik met mijn vrienden naar de stad.
A
ga
B
morgen
C
vrienden
D
stad

Slide 15 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:
Dinsdag en donderdag heb ik voetbaltraining.
A
dinsdag
B
ik
C
heb
D
voetbaltraining

Slide 16 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:
Volgende week krijgen wij een toets.
A
week
B
krijgen
C
toets
D
wij

Slide 17 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:
Ik vind Nederlands een leuk vak.
A
vind
B
ik
C
leuk
D
vak

Slide 18 - Quiz