Present Simple - past simple

Present Simple/ Past Simple
1 / 29
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1,2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Present Simple/ Past Simple

Slide 1 - Slide

Present
Simple

Slide 2 - Mind map

Past
Simple

Slide 3 - Mind map

Present simple
Regelmatige werkwoorden: Gebruik de stam van het werkwoord. Voeg "-s" toe bij de derde persoon enkelvoud (he, she, it).
Voorbeeld:
to walk → walks (he/she/it)
to play → plays (he/she/it)
Onregelmatige werkwoorden: Deze werkwoorden volgen dezelfde regels, maar hebben soms unieke vormen.


Gebruik van de Present Simple
Algemene feiten: Gebruik de present simple om feiten en waarheden te beschrijven.
Voorbeeld: "The sun rises in the east."
Gewoonten en routines: Gebruik de present simple om gewoonten en herhaalde acties te beschrijven.
Voorbeeld: "She drinks coffee every morning."
Tijdschema's en programma's: Gebruik de present simple om geplande gebeurtenissen te beschrijven.
Voorbeeld: "The train leaves at 6 PM."





Slide 4 - Slide

Gebruik van de Present Simple
1. Algemene feiten: Gebruik de present simple om feiten en waarheden te beschrijven.

Voorbeeld: "The sun rises in the east."
2. Gewoonten en routines: Gebruik de present simple om gewoonten en herhaalde acties te beschrijven.
Voorbeeld: "She drinks coffee every morning."
3. Tijdschema's en programma's: Gebruik de present simple om geplande gebeurtenissen te beschrijven.
Voorbeeld: "The train leaves at 6 PM."


Slide 5 - Slide

Past Simple
Regelmatige werkwoorden: Voeg "-ed" toe aan de stam van het werkwoord.

Voorbeeld:
to walk → walked
to play → played
Onregelmatige werkwoorden: Deze werkwoorden hebben unieke vormen in de past simple en moeten uit het hoofd worden geleerd.
Voorbeeld:
to go → went
to have → had

Slide 6 - Slide

Gebruik van Past Simple
1. Acties in het verleden: Gebruik de past simple om te praten over acties die op een specifiek moment in het verleden plaatsvonden.

Voorbeeld: "I visited Paris last year."
2. Gewoonten in het verleden: Gebruik de past simple om gewoonten of herhaalde acties in het verleden te beschrijven.
Voorbeeld: "When I was a child, I played outside every day."
3. Verhalen en anekdotes: Gebruik de past simple om een reeks gebeurtenissen in een verhaal of anekdote te beschrijven.
Voorbeeld: "He woke up, brushed his teeth, and went to work."


Slide 7 - Slide

Present simple
He ..... (to call)
A
call
B
calls

Slide 8 - Quiz

Present simple
It ....... (to start) in 10 minutes.
A
start
B
starts

Slide 9 - Quiz

Past simple
We ........... (to talk) about or holiday.
A
talk
B
talked
C
talkd
D
talks

Slide 10 - Quiz

Past simple
I ...... my boyfriend.
A
kiss
B
kisses
C
kissed
D
kisset

Slide 11 - Quiz

Past simple
They ...... hard for the test.
A
study
B
studyd
C
studied
D
studies

Slide 12 - Quiz

(to walk) past simple
He ....... in the park.

Slide 13 - Open question

(to hurry) past simple
She ..... to the bus.

Slide 14 - Open question

(to stop) past simple
The baby ..... crying.

Slide 15 - Open question

(to kiss) past simple
She ..... her boyfriend.

Slide 16 - Open question

(to be)
Where ..... I?
A
am
B
are
C
is

Slide 17 - Quiz

(to be)
Derrek and Sheila ..... at work.
A
am
B
are
C
is

Slide 18 - Quiz

She
(go) to Australia in 1994 and she liked it very much.
A
go
B
is going
C
gone
D
went

Slide 19 - Quiz

My father usually
(like) his steak well-done.
A
like
B
likes
C
liked
D
liking

Slide 20 - Quiz

The dog
(eat) its toy last night.
A
eat
B
ate
C
eats
D
eaten

Slide 21 - Quiz

The policeman
(talk) to the burglar yesterday.
A
talk
B
talks
C
talked
D
is talking

Slide 22 - Quiz


(you /have) a test last week?
A
do you have
B
did you have
C
are you having
D
have you

Slide 23 - Quiz

I often see her mother but she never
(speak) to me.
A
talks
B
spoke
C
spoken
D
speaks

Slide 24 - Quiz

When do you use the past simple?

Slide 25 - Open question

Slide 26 - Mind map

When do you use the present simple?

Slide 27 - Open question

Slide 28 - Mind map

Slide 29 - Slide