les 2: tijd, setting, motieven, thema

Welkom

Ga zitten. Pak pen, papier en een markeerstift. 
           Nederlands havo 4
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 14 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Welkom

Ga zitten. Pak pen, papier en een markeerstift. 
           Nederlands havo 4

Slide 1 - Slide

timer
10:00

Slide 2 - Slide

Verhaalanalyse
  • Ik kan manipulaties van de chronologie herkennen, het effect van het tijdsverloop benoemen en onderscheid maken tussen fabel en sujet.
  • (personages, type, karakter, conflictmodel, perspectieven)

Slide 3 - Slide

Setting
  • De tijd
  • De ruimte 
  • De omstandigheden 
--> vormen samen de setting

Bijvoorbeeld: 24 februari 2025 om 11:30 uur in C1.20  op een zonnige warme dag, na een gymles waarin er ruzie ontstond.
Maak aantekeningen

Slide 4 - Slide

Tijd
  • historische tijd: tijdstip waarop het zich afspeelt. 
  • chronologisch: de gebeurtenissen worden verteld in de tijdsvolgorde waarin ze plaats hebben gevonden.
  • flashback: lezer wordt teruggenomen naar het verleden
  • terugverwijzing: kort iets uit het verleden benoemen
  • flashforward: meegenomen naar de toekomst
  • vooruitwijzing: kort iets wat gaat gebeuren benoemen
  • niet-chronologisch: er zitten flashbacks of -forwards in het verhaal.

Slide 5 - Slide

Tijd
  • vertraging: een gebeurtenis wordt uitgebreid verteld
  • versnelling: een gebeurtenis wordt kort samengevat
  • tijdsprong: er worden gebeurtenissen overgeslagen (uren/dagen/weken/jaren)

Slide 6 - Slide

Tijd
  • belevende ik vs vertellende ik
  • proloog: voor de tekst, vaak flashforward
  • fabel: samenvatting op chronologische volgorde
  • sujet/plot: samenvatting op volgorde van het boek

Slide 7 - Slide

Schrijf mee: vragen/opmerkingen etc.

Slide 8 - Slide

Opdracht
  • We lezen het verhaal Hoogtevrees
  • Noteer: omschrijving personages, karakter of type, perspectief + voorbeeld, setting, tijd
timer
15:00

Slide 9 - Slide

Onderwerp en thema
  • Onderwerp: in een paar woorden waarover het verhaal gaat

  • Thema: de hoofdgedachte van het verhaal, waar de schrijver je over aan het denken wil zetten. Je vindt deze door na te gaan wat de titel is, welke motieven er zijn, wie de belangrijkste personages zijn, wat ze met elkaar te maken hebben.

Slide 10 - Slide

Motieven
  • Elementen uit het verhaal die steeds terugkeren in de tekst:
  • Leidmotief: concreet iets kleins wat steeds weer in dezelfde woorden terugkeert (een voorwerp/kleur/zinnetje enz.)
  • Verhaalmotief: abstract een gebeurtenis, beschrijving of gevoel dat steeds weer terugkeert in de tekst, maar (meestal) er niet letterlijk in staat.

Slide 11 - Slide

Opdracht
  • Wat zijn thema's en motieven in dit verhaal? Kan je een aantal van Dagen van gras noemen?
  • Zoek eventueel op.
timer
10:00

Slide 12 - Slide

Evaluatie
Rechterbuur: vertel in 1 minuut wat je vandaag geleerd hebt.

Linkerbuur: straks een paar van jullie klassikaal navertellen.


timer
1:00

Slide 13 - Slide

Huiswerk
  • Lees in je boek

Slide 14 - Slide