BS4: Celmembranen en transport

BS 4 Opbouw van een celmembraan
1 / 34
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

Items in this lesson

BS 4 Opbouw van een celmembraan

Slide 1 - Slide

Door welk proces verplaatst zuurstof van de longblaasjes naar de haarvaten (bloedvaten) rondom de longblaasjes
A
diffusie
B
osmose

Slide 2 - Quiz

Osmose is een vorm van
A
actief transport
B
passief transport

Slide 3 - Quiz

Wat is osmose?
A
Beweging van water van een hoge concentratie naar een lage concentratie
B
Beweging van water van een lage concentratie naar een hoge concentratie

Slide 4 - Quiz

Leerdoelen 

Je kunt de verschillende manieren van membraantransport beschrijven

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Bouw celmembraan

Slide 7 - Slide

Fosfolipiden: hydrofiele kop (water aantrekkend) en een hydrofobe staart (waterafstotend).

Slide 8 - Slide

Dubbele laag fosfolipiden: erg bewegelijk.
Cholesterol moleculen: remt de beweeglijkheid

Slide 9 - Slide

Eiwitmoleculen: transport, receptoren, soms met een koolhydraatketen aan de buitenkant.

Slide 10 - Slide

Celmembraan: selectief permeabel/ semipermeabel
Niet alle stoffen kunnen het membraan passeren.

Slide 11 - Slide

2.3.9 Membraantransport

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Stoffentransport
Passief transport kost geen energie, actief transport kost energie (ATP).

Slide 14 - Slide

Diffusie
Kleine en vetoplosbare stoffen kunnen zonder hulp het membraan passeren.
Altijd van een hoge naar een lage concentratie.
Bijv. O2/ CO2 (longen, lichaamscellen) en testosteron (lichaamscellen).

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Video

Geladen deeltjes, grote wateroplosbare moleculen, polaire moleculen hebben een transporteiwit nodig.
Altijd van een hoge naar een lage concentratie.
Controle door openen/ sluiten eiwitpoorten (bijvoorbeeld glucosetransport na binding insuline).
Gefaciliteerd transport

Slide 17 - Slide

Transport tegen de concentratiegradient in (van laag -> hoog) kost altijd energie: via een speciaal transporteiwit.
Bijv. Na+/ K+ (zenuwcellen).
Controle door openen/ sluiten eiwitpoorten.
Actief transport

Slide 18 - Slide

2.3.11 Endocytose:
opnemen van grote partikels, deeltjes die het membraan niet kunnen passeren (ijzerionen, grote vetachtige stoffen).
Na binding aan een receptor.

Slide 19 - Slide

Fagocytose:
opnemen van bacteriën en grote deeltjes door witte bloedcellen.
Na fusie met een lysosoom kan het deeltje/ de bacterie worden afgebroken.

Slide 20 - Slide

Exocytose: 
Afgeven van een stof in een blaasje aan de buitenwereld van een cel.
Wordt ook gebruikt om receptoren aan de buitenkant van het membraan te krijgen.

Slide 21 - Slide

2.3.10 Watertransport
Water kan deels via diffusie door het celmembraan heen. Dit is echter langzaam (door de hydrofobe binnenkant van het membraan).
Snel watertransport kan via een waterkanaal (transporteiwit).
Het proces van watertransport over een semipermeabel membraan heet osmose.

Slide 22 - Slide

Osmose
Hoeveel water zich verplaatst wordt bepaald door de osmotische waarde aan beide zijden van het membraan.
Osmotische waarde: hoeveelheid opgeloste stoffen in het water.
Hoge osmotische waarde: veel opgeloste stoffen.
Lage osmotische waarde: weinig opgeloste stoffen.
Water stroomt van een lage -> hoge osmotische waarde.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Maak de opdrachten
Bij basisstof 4: Transport door membranen en zorg dat het huiswerk van de vorige basisstoffen ook af is.

Slide 25 - Slide

Hypotoon/ isotoon/ hypertoon

Slide 26 - Slide

Dierlijke cellen
Streven naar isotone omstandigheden.

Slide 27 - Slide

Plantencellen

Slide 28 - Slide

Plantencellen
Streven naar hypertone celinhoud om druk op de celwand te houden (turgor): stevigheid

Slide 29 - Slide

Plantencellen
Plasmolyse: celmembraan laat los van de celwand.
Grensplasmolyse: turgor=nul maar celmembraan laat nog net niet los

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Video

Hoe beïnvloed warmte de diffusiesnelheid?

Slide 32 - Open question

Slide 33 - Video

Slide 34 - Video