Voorzetsels

Voorzetsels

Voorzetsels horen bij de woordsoorten
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Voorzetsels

Voorzetsels horen bij de woordsoorten

Slide 1 - Slide

Welke woordsoorten ken je al?

Slide 2 - Mind map

Woordsoorten
- Elk woord hoort bij een woordsoort
- Je kent al:
                         lidwoorden
                         werkwoorden
                         zelfstandig naamwoorden
                         bijvoeglijk naamwoorden
                         VANDAAG: voorzetsels

Slide 3 - Slide

Wat zijn lidwoorden?

Slide 4 - Open question

Voorzetsels
- zijn vaak korte woordjes
- geven aan: *een plaats    (op, naast, onder, in, ...), 
                           *tijd                   (na, tijdens, gedurende)  
                           *reden              (vanwege) 

Slide 5 - Slide

Voorzetsels
            Ezelsbruggetje:
                                                                  - een vz kun je voor "de kooi" of 
                                                                    "de kast"plaatsen

                                                                    Let op: tijdens en vanwege zijn                                                                                      ook voorzetsels

Slide 6 - Slide

Wat zijn voorzetsels?
A
de, het, een
B
in, voor, achter
C
raam, deur, wand
D
voorlezen, voorspellen, voorzeggen

Slide 7 - Quiz

Wat zijn de voorzetsels in deze zin?
A
hij - naar
B
via - de
C
via - naar
D
hij - de

Slide 8 - Quiz

Wat zijn de voorzetsels in deze zin?
Onder de tafel speelde poes Moppie met een muis.
A
onder - met
B
onder - de - met
C
onder - speelde
D
de - een

Slide 9 - Quiz

Hoeveel voorzetsels staan in deze zin?

Morgen gaat Tatum op de fiets naar het park.
A
1
B
2
C
3
D
Geen

Slide 10 - Quiz

In de volgende zin staan … voorzetsels

Met blote voeten loop ik door het warme zand.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 11 - Quiz

Typ de voorzetsels in de juiste volgorde over.
Mijn moeder koopt brood bij de bakker.

Slide 12 - Open question

Typ de voorzetsels in de juiste volgorde over:

Over ongeveer een jaar verhuizen we naar Frankrijk.



Slide 13 - Open question

De rode kater heeft het zielige vogeltje opgegeten.
In deze zin staan geen voorzetsels.

A
dat klopt
B
dat klopt niet

Slide 14 - Quiz

Noem vijf voorzetsels.

Slide 15 - Open question

Vaste voorzetsels
- Voorzetsels die je niet kunt vervangen
- deze voorzetsels horen bij een werkwoord

Voorbeelden
Wij houden van chocola.
Ben besteedt niet veel tijd aan zijn huiswerk.

Slide 16 - Slide

Vaste voorzetsels (vervolg)
Verwar vaste voorzetsels niet met splitsbare werkwoorden:

De trainer legt de wedstrijdregels uit.   ( = uitleggen)
'uit' is hier geen vz, maar een deel van het werkwoord.


Slide 17 - Slide

Vaste voorzetsels
Heb jij interesse ...... die nieuwe fiets?
A
voor
B
op
C
aan
D
in

Slide 18 - Quiz

Vaste voorzetsels
Hij moest erg lachen .... die grappige filmpjes
A
over
B
met
C
om
D
tegen

Slide 19 - Quiz

Vaste voorzetsels
Die vrouw komt niet in
aanmerking ....... hulp
A
van
B
voor
C
om
D
over

Slide 20 - Quiz

Vul het goede voorzetsels in:
Maurien luistert graag ______ muziek.
A
op
B
naar
C
in
D
van

Slide 21 - Quiz


Is het onderstreepte voorzetsel een vast voorzetsel bij een werkwoord?
Dit rampscenario kan binnenkort tot het verleden behoren. 
A
ja
B
nee

Slide 22 - Quiz


Is het onderstreepte voorzetsel een vast voorzetsel bij een werkwoord?
Houd jij ook zo van pizza?
A
ja
B
nee

Slide 23 - Quiz

Wat is het vaste voorzetsel van het werkwoord twijfelen ....?
A
met
B
aan
C
over
D
van

Slide 24 - Quiz

Wat is het vaste voorzetsel van het werkwoord zich verbazen ....?
A
over
B
in
C
met
D
naar

Slide 25 - Quiz

Sommige werkwoorden hebben een vast voorzetsel.
Vul het juiste voorzetsel in:

Ik verheug me nu al ..... de kerstvakantie.

A
in
B
bij
C
op
D
met

Slide 26 - Quiz

Tot welk woordsoort behoort het woordje tussen aanhalingstekens?

De farmaceuten profiteren 'van' de pandemie.
A
gewoon voorzetsel
B
vast voorzetsel
C
deel van een scheidbaar werkwoord

Slide 27 - Quiz

In welk voorbeeld is het een scheidbaar werkwoord en dus geen voorzetsel?
A
Hij belt op
B
Hij houdt van
C
Hij ergert zich aan
D
Hij speelt met

Slide 28 - Quiz

Wat is GEEN voorzetsel?
A
links
B
uit
C
op
D
boven

Slide 29 - Quiz

Als een voorzetsel bij een splitsbaar werkwoord hoort, noem je het geen voorzetsel.
A
juist
B
niet juist
C
soms

Slide 30 - Quiz

OPDRACHT
Maak van paragraaf Voorzetsels blz. 212
 
Opdracht 2 en 3 

Slide 31 - Slide