2. ww-spelling: tegenwoordige en verleden tijd (1e jaar)

1 / 42
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Tegenwoordige tijd
1. Zoek de persoonsvorm.
2. Is het de persoonsvorm? Ja ->
3. Vorm de stam (hele ww - en).
4. Kijk of je moet vervoegen. 
      ik vorm :                    stam
      jij / hij / zij / het:     stam + t
      wij / jullie / zij:         hele werkwoord

Slide 2 - Slide

stap 1: kijk of het een PV is
Vraagzin
Woord vooraan is pv. Let op vraagwoorden!!
Tijdsproef
Woord dat verandert is pv
Persoonsproef
Woord dat met het aantal personen/dingen mee verandert is pv.

Slide 3 - Slide

Ja? 
Dan kijken of het de tegenwoordige tijd (het gebeurt nu) is, 
of de verleden tijd (het is in het verleden gebeurd).

Dit zie je door woorden als: gisteren, toen, vorige maand, in 1994 etc.

Slide 4 - Slide

nee?
Dan heb je te maken met 
- een infinitief (hele werkwoord)
- een voltooid deelwoord (hebben / zijn)
- een bijvoeglijk gebruikt werkwoord

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

0

Slide 7 - Video

Hij zegt dat hij van haar ....... .
A
houd
B
houdt
C
houden

Slide 8 - Quiz

..... (scoren) je wel eens een doelpunt?
A
scoor
B
scoort

Slide 9 - Quiz

....(scoren) je broer wel eens een doelpunt?
A
scoor
B
scoort

Slide 10 - Quiz

je ..... (bieden) haar geen kans
A
bied
B
biedt

Slide 11 - Quiz

(...onthouden) jouw baas alles wat je verkeerd doet?
A
onthoud
B
onthoudt

Slide 12 - Quiz

Het is koud dus ..... (kleden) je warm aan
A
kleed
B
kleedt

Slide 13 - Quiz

...... jij ook wel eens moe van het eeuwige gezeur van die docenten?
A
Word
B
Wordt
C
Worden

Slide 14 - Quiz

....(houden) jij meer van varkens of koeien?
A
houd
B
houdt

Slide 15 - Quiz

Verleden tijd
Werkwoorden die niet nu gebeuren, maar eerder zijn gebeurd.

gisteren, toen, voor 1854, nadat hij in de sloot was gereden ....


Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Zwakke en sterke werkwoorden
Voor werkwoord vervoegen in verleden tijd vraag je je 2 dingen af:
  1. Is het werkwoord sterk of zwak?
  2. Wat is de stam / ik-vorm van het werkwoord?

Slide 18 - Slide

Er zijn geen regels voor sterke werkwoorden. Deze leer je of zoek je op in een woordenboek

Slide 19 - Slide

Zwakke werkwoorden
 Zwakke werkwoorden krijgen in de verleden tijd achter de ik-vorm de/ te in het enkelvoud en den/ ten in het meervoud. 



Hoe weet je nu wat je moet doen?
!!!! LANGER MAKEN !!!!!!! OF

Slide 20 - Slide

 Je kunt het T a X i K o F S C H i P gebruiken om te bepalen of een zwak werkwoord in de verleden tijd op te(n) of de(n) eindigt.
1. Neem het hele werkwoord en haal daar en vanaf.
2. Is de laatste letter een T X K F S C H P?
     Dan komt er altijd te(n) achter de ik-vorm.
Voorbeeld: bewerken > ik bewerk > wij bewerkten
3. Is de laatste letter geen T X K F S C H P?
     Dan komt er altijd de(n) achter de ik-vorm.
Voorbeeld: twitteren > ik twitter > wij twitterden

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Wat is de juiste spelling:
A
Hij klapde
B
Hij klappde
C
Hij klapte
D
Hij klappte

Slide 25 - Quiz

Wat is de juiste spelling:
A
ik verhuisde
B
ik verhuiste

Slide 26 - Quiz

Verhuizen
Bepaal de stam van verhuizen (-en) = verhuiz
De z staat niet in het TaXiKoFSCHiP
Verleden tijd: stam omzetten in de ik-vorm + "de" toevoegen:
Ik verhuisde

Slide 27 - Slide

De schilders ....... het huis roze
A
verfde
B
verfden
C
verfte
D
verften

Slide 28 - Quiz

Zij (bieden vt) mij aan te helpen
A
biedde
B
boodt
C
boot
D
bood

Slide 29 - Quiz

Het mis….. erg die morgen.
A
misdt
B
miste
C
misde
D
mistte

Slide 30 - Quiz

Het (verbazen vt) de directeur.
A
verbaaste
B
verbaasd
C
verbaasde
D
verbaasdde

Slide 31 - Quiz

Gisteren (verbreden vt) de stratenmakers die weg.
A
verbreedde
B
verbreden
C
verbreeden
D
verbreedden

Slide 32 - Quiz

Die voetballer mis….e gisteren een kans.
A
mistte
B
misde
C
misten
D
miste

Slide 33 - Quiz

Wij pra…..en vroeger vaak over politiek.
A
praatten
B
praaten
C
praten
D
praatte

Slide 34 - Quiz

Na een ernstig ongeval (belanden vt)zij in het ziekenhuis.
A
belande
B
belandde
C
belandt

Slide 35 - Quiz

Welk van de onderstaande werkwoorden is een sterk werkwoord
A
praten
B
verhuizen
C
leven
D
spreken

Slide 36 - Quiz

Slide 37 - Video

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide

Slide 41 - Slide

Oefening maken
Socrative - oefentoetsje

Ga naar socrative.com
student login
roomname: klouwen
name: van jezelf

Slide 42 - Slide