Oefen examenvragen

Oefen examenvragen
1 / 34
next
Slide 1: Slide
PersoneelsbeleidMBOStudiejaar 3

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Oefen examenvragen

Slide 1 - Slide

Wat is een reden voor een leidinggevende om taken te delegeren?
A
wil laten zien wie de baas is.
B
heeft geen tijd om een taak uit te voeren.
C
is niet meer verantwoordelijk voor het gedelegeerde werk.

Slide 2 - Quiz

Gedurende hoeveel tijd moet de werkgever het loon van een zieke werknemer doorbetalen?
A
Gedurende de eerste 2 jaar van de ziekte.
B
Gedurende de eerste jaar van de ziekte.
C
Gedurende de eerste 3 jaar van de ziekte.

Slide 3 - Quiz

Schrijf twee taken op van de Nederlandse Arbeidsinspectie (voorheen Inspectie SZW)
A
controle op naleving van de Arbeidstijdenwet
B
onderzoek na een ernstig arbeidsongeval.
C
controle op naleving van de Arbowet
D
Zowel A, B als C

Slide 4 - Quiz

Hoeveel tijdelijke contracten mag een werkgever je geven voordat je een vast contract moet krijgen?

A
2 tijdelijke contracten
B
3 tijdelijke contracten
C
1 tijdelijke contracten
D
4 tijdelijke contracten

Slide 5 - Quiz

Na maximaal hoeveel jaar met tijdelijke contracten is je werkgever verplicht om je een vast contract geven?
A
na 3 jaar
B
na 1 jaar
C
na 2 jaar
D
na 4 jaar

Slide 6 - Quiz

Wat staat beschreven in de huisregels van een bedrijf?
A
het aantal vakantiedagen
B
de wijze waarop met klanten moet worden omgegaan
C
de betaling van het salaris

Slide 7 - Quiz

Hoeveel uren mag een medewerker tijdens een piekmoment maximaal per dienst werken?

A
12
B
8
C
10
D
14

Slide 8 - Quiz

Wat is een wettelijk vereiste voor een startend transportondernemer?
A
een rijbewijs met code 95
B
een getuigschrift vakbekwaamheid
C
een ADR-certificaat

Slide 9 - Quiz

Hoe heet de schematische weergave van een organisatiestructuur?
A
organogram
B
organigram
C
Zowel A als B

Slide 10 - Quiz

Van welke organisatiestructuur is sprake wanneer er een projectorganisatie is?
A
Lijn structuur
B
Lijn staf structuur
C
Matrix structuur

Slide 11 - Quiz

Wanneer een werknemer ziek wordt, heeft de Wet verbetering Poortwachter verplichtingen voor zowel de werkgever als de werknemer.

Schrijf één verplichting op van de werkgever.

A
binnen 8 weken een plan van aanpak maken
B
inschakelen van een bedrijfsarts en/of arbodienst
C
passende arbeid aanbieden
D
Zowel A, B als C

Slide 12 - Quiz

Een chauffeur mag niet een onbeperkt aantal uren werken.

Hoeveel uren mag een chauffeur maximaal werken per week?
A
60
B
50
C
40
D
70

Slide 13 - Quiz

Hoeveel uren mag een chauffeur maximaal rijden per week?
A
58
B
56
C
60
D
62

Slide 14 - Quiz

Een chauffeur valt onder de CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg. De chauffeur heeft een fulltime dienstverband, is 54 jaar en heeft 23 dienstjaren.

Op hoeveel vakantiedagen per jaar heeft de chauffeur recht?
A
26
B
27
C
28
D
29

Slide 15 - Quiz

Oefen examenvragen

Slide 16 - Slide

Wat is het doel van de Arbeidsomstandighedenwet?
A
Er voor zorgen dat iedereen zich aan de wet houdt
B
Er voor zorgen dat werkgevers goed voor hun personeel zorgen.
C
Voorkomen van ongevallen of ziekten veroorzaakt door arbeid.

Slide 17 - Quiz

Onder welke vorm van ongewenst gedrag valt intimidatie?
A
agressie
B
discriminatie
C
pesten

Slide 18 - Quiz

Wat zijn activiteiten van een arbodienst?
A
verzuimbegeleiding
B
probleemanalyse maken
C
uitvoeren periodiek medisch onderzoek
D
Zowel A, B als C

Slide 19 - Quiz

Code 95 is 5 jaar geldig.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 20 - Quiz

Een chauffeur moet elk jaar 7 uur nascholing volgen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 21 - Quiz

Voor het besturen van een brandweerwagen is geen code 95 nodig
A
Waar
B
Niet waar

Slide 22 - Quiz

Welke persoonlijke documenten heeft een beroepsgoederenchauffeur nodig voor het uitvoeren van dit beroep?
A
bestuurderskaart, rijbewijs met code 95 en ID-bewijs
B
rijbewijs, kentekenbewijs en ID-bewijs
C
gezondheidsverklaring, groene kaart en rijbewijs

Slide 23 - Quiz

Een chauffeur verdient een bruto loon
van 3200 per maand.
Wat is zijn uurloon?

Slide 24 - Open question

Heeft de chauffeur een rijbewijs met Code 95 nodig om een vrachtwagen te besturen als
A
Hij een vrachtwagen test na reparatie
B
een kermisexploitant is die zijn kermisvoertuig bestuurt
C
minder dan 12 uur bij een transportbedrijf werkt.

Slide 25 - Quiz

Een chauffeur moet met de eerste 7 uur nascholing beginnen 2 jaar na het behalen van de basiskwalificatie
A
Juist
B
Onjuist

Slide 26 - Quiz

Onderdanen van een EU lidstaat mogen nascholing doen in het land waar ze wonen of werken
A
Juist
B
Onjuist

Slide 27 - Quiz

Nascholing is niet meer nodig als de chauffeur minder dan 5 jaar voor zijn pensionering zit.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 28 - Quiz

Welke persoonlijke documenten heeft een beroepsgoederenchauffeur nodig om zijn beroep uit te oefenen?
A
gezondheidsverklaring, groene kaart en rijbewijs
B
rijbewijs, kentekenbewijs en idbewijs
C
bestuurderskaart, rijbewijs met code 95 en ID

Slide 29 - Quiz

Een chauffeur werkt voor een uitzendbureau en werkt voor een meubelfabriek op de vrachtwagen (laadvermogen is 8 ton).
Welke documenten moet hij bij zich hebben?
A
bestuurderskaart en verklaring van terbeschikkingsstelling
B
bestuurderskaart en geneeskundige verklaring
C
een geldig rijbewijs en verklaring van dienstbetrekking

Slide 30 - Quiz

Een chauffeur verdient € 3.500 bruto per maand.
Wat is het bruto uurloon van de chauffeur?

A
22.44 Eur
B
20.19 Eur
C
26
D
44

Slide 31 - Quiz

Je begint ergens te werken en je wordt 3 tredes hoger ingeschaald dan gebruikelijk.
Na een jaar verwacht je je jaarlijkse verhoging van 1 trede.
Je baas zegt echter dat hij dit niet gaat doen omdat je al hoger ingeschaald bent aan het begin en wil je pas het jaar erop verhogen.
Mag dat?


A
Nee, de medewerker heeft bij normaal functioneren elk jaar recht op een trede.
B
Ja voor loonsverhoging op basis van treden moet ieder jaar opnieuw onderhandeld worden.

Slide 32 - Quiz

Noem een 1 wettelijke bepaling die van toepassing is op werknemers vanaf 55 jaar
A
Geen ploegendienst
B
Niet verplicht tussen 0.00 en 06.00 uur te werken
C
Zowel A als B

Slide 33 - Quiz

Voor sommige soorten nachtwerk gelden in het transport andere regels. Schrijf twee soorten van dit transport op.
A
transport of vervoer van brood- en banketbakkerijproducten
B
transport of vervoer van goederen van en naar distributiecentra, terminals of luchthavens
C
voor het onderhoud en de aanleg van wegen en spoor
D
Zowel A, B als C

Slide 34 - Quiz