week 14

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer? 
  • la familia
  • los posesivos
  • verbos regulares (ar-er-ir)
  • los verbos ser, tener, llamarse
Semana 14
1 / 18
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 18 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer? 
  • la familia
  • los posesivos
  • verbos regulares (ar-er-ir)
  • los verbos ser, tener, llamarse
Semana 14

Slide 1 - Slide

¡Hola chicos!
Ik ben er vandaag niet. Jullie krijgen van de waarnemer een werkblad. Hiermee kunnen jullie met de toetsstof oefenen. Zorg dat deze volgende les af is.  In deze lessonup staat nog een keer de uitleg van de grammatica (deze staat ook in je boekje).
Aan het einde van de lessonup heb ik een linkje met de woorden die in quizlet staan gezet. Hier kun je ook nog mee oefenen. 
¡Hasta la próxima semana! 

Slide 2 - Slide

Leerdoel
  • Ik ken de bezittelijke voornaamwoorden in het Spaans en ik kan ze gebruiken

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Met de bezittelijke voornaamwoorden kun ik zeggen en begrijpen van wie iets/iemand is. 
Bijvoorbeeld: Esta es mi madre. - Dit is mijn moeder.

Slide 3 - Slide



Met het bezittelijk voornaamwoord kun je aangeven van wie iets/iemand is.
Je kan er bijvoorbeeld:
  1. jouw familie mee beschrijven.
  2. vragen wat iemands favoriete....... is en om daarop te antwoorden.
  3. Naar persoonlijke informatie vragen
  1. Mi familia es grande. 
Mis padres se llaman Enrique y Ana.

2. ¿ Cuál es tu animal favorito?
Mi animal favorito es el león.

3. ¿Cuál es tu número de teléfono?
Mi número de teléfono es el 06-12345678
¿Cuál es tu dirección? 


Wat kan ik met de bezittelijke voornaamwoorden?

Slide 4 - Slide

Bezittelijk vnw.
mijn
jouw
zijn/haar/uw
ons/onze
jullie
hun/uw
mi
tu
su
nuestro
vuestro
su
mi
tu
su
nuestra
vuestra
su
mis
tus
sus
nuestros
vuestros
sus
mis
tus
sus
nuestras
vuestras
sus
enkelvoud
meervoud
mnl.
mnl.
vr.
vr.
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.
Welke verschillen zien jullie?

Slide 5 - Slide

Bezittelijk vnw.
  • Het bezittelijk vnw. richt zich in het Spaans naar het bezit en niet naar de bezitter zoals in het Nederlands. 
  • Is het bezit meervoud, dan wordt het bezittelijk vnw. ook meervoud. Bij nuestro/vuestro heb je ook nog een vrouwelijke vorm --> nuestra/vuestra. 
  • Kijk naar het woord wat erachter staat. Is dat meervoud, dan wordt het bez. vnw. ook meervoud. Is het vrouwelijk dan verandert nuestro/vuestro in nuestra/vuestra
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.
Módulo pág. 20, 21, 

Slide 6 - Slide

voorbeelden:
  • mi casa                         =   mijn huis
  • tus libros                      =   jouw boeken
  • nuestra profesora        =   onze lerares
  • sus amigos                   =   zijn/haar vrienden
LEERDOEL: bezittelijk voornaamw.
Módulo pág. 20, 21, 

Slide 7 - Slide

Leerdoel
  • Ik kan de regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegen

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Om te weten wie of over wie er gesproken wordt, op welk tijdstip het gesproken wordt en of de actie al gebeurd is, nu gebeurt of gaat gebeuren. 
  • Het persoonlijk voornaamwoord kun je in het Spaans weglaten voor een vervoegde vorm van een werkwoord.

Slide 8 - Slide

verbos regulares
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
hablar
hablo
hablas
habla
hablamos
habláis
hablan
comer
como
comes
come
comemos
coméis
comen
vivir
vivo
vives
vive
vivimos
vivís
viven
praten
eten
wonen/leven
Leerdoel: werkwoorden
librito p. 21-22

Slide 9 - Slide

De 3 stappen voor het vervoegen van regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd: 
HAKKEN
TELLEN
PLAKKEN
HABLAR 
HABL
TÚ = DE 2E PERSOON
AS = DE TWEEDE UITGANG 
HABLAS
HABLAS = 
JIJ PRAAT

Slide 10 - Slide

Stappen om te vervoegen
  • Elke werkwoord in het Spaans heeft een familie: -ar -er of -ir
  • Vind de stam door -ar, -er of -ir eraf te halen
  • plaats de bijbehorende uitgang achter de stam

Slide 11 - Slide

Leerdoel
  • Ik kan de werkwoorden SER, TENER en LLAMARSE in de tegenwoordige tijd vervoegen

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Om te weten wie of over wie er gesproken wordt, op welk tijdstip het gesproken wordt en of de actie al gebeurd is, nu gebeurt of gaat gebeuren. 
  • Het persoonlijk voornaamwoord kun je in het Spaans weglaten voor een vervoegde vorm van een werkwoord.

Slide 12 - Slide

Werkwoorden
Ser = zijn
  • Nationaliteit
  • naam
  • afkomst (ser de)
  •  familieband
  • beroep


Tener = hebben
  • bezit (bij dingen en mensen (bijvoorbeeld familieleden)
  • leeftijd


llamarse = heten
  • naam 


Slide 13 - Slide

llamarse
me llamo
te llamas
se llama
nos llamamos
os llamáis
se llaman
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
Librito p.22

Slide 14 - Slide

    Ser    

soy
eres
es
somos
sois
son
Librito p.23

yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes

Slide 15 - Slide

                  tener 

tengo
tienes
tiene
tenemos
tenéis
tienen
Librito p.23

yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes

Slide 16 - Slide

standaardzinnen
zinsopbouw

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Link