Repetitie Bloedsomloop - V2

Leerjaar / Niveau : 2 VWO
Vak: Biologie
Onderwerp: bloedsomloop 3.1 t/m 3.5

Aantal vragen: 37.                                                       Maximaal te behalen punten: 45.
Toegestane tijd: 40 min. 
Te gebruiken hulpmiddelen: geen.

Instructies:  
  • Lees de vragen goed door en geef zo goed mogelijk antwoord.
  • Klik bij open vragen altijd op de knop 'bewaren'.
  • Als er staat: Leg je antwoord uit / verklaar je antwoord, geef dan het antwoord + uitleg. 
  • Als je een vraag niet direct kunt beantwoorden, sla je die eerst even over.  
  • Check voordat je de toets inlevert of je alle vragen hebt ingevuld.
  • Ben je klaar? Lever dan de toets in!
1 / 40
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Leerjaar / Niveau : 2 VWO
Vak: Biologie
Onderwerp: bloedsomloop 3.1 t/m 3.5

Aantal vragen: 37.                                                       Maximaal te behalen punten: 45.
Toegestane tijd: 40 min. 
Te gebruiken hulpmiddelen: geen.

Instructies:  
  • Lees de vragen goed door en geef zo goed mogelijk antwoord.
  • Klik bij open vragen altijd op de knop 'bewaren'.
  • Als er staat: Leg je antwoord uit / verklaar je antwoord, geef dan het antwoord + uitleg. 
  • Als je een vraag niet direct kunt beantwoorden, sla je die eerst even over.  
  • Check voordat je de toets inlevert of je alle vragen hebt ingevuld.
  • Ben je klaar? Lever dan de toets in!

Slide 1 - Slide

Bloedplaatjes hebben een functie bij de bloedstolling.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 2 - Quiz

In witte bloedcellen zit hemoglobine.
A
juist
B
onjuist

Slide 3 - Quiz

In de afbeelding is een druppel bloed schematisch getekend.

Stelling:
In bestanddeel P komt een celkern voor.
A
juist
B
onjuist

Slide 4 - Quiz

In de afbeelding is een druppel bloed schematisch
getekend.

Stelling:
Bestanddeel R speelt een rol bij de bloedstolling.
A
juist
B
onjuist

Slide 5 - Quiz

Een kransader is een aftakking van de aorta.
A
juist
B
onjuist

Slide 6 - Quiz

Eén type antistof kan zich maar aan één type antigeen hechten
A
juist
B
onjuist

Slide 7 - Quiz

Trombose is een ander woord voor bloedarmoede.
A
juist
B
onjuist

Slide 8 - Quiz

Iemand die immuun is voor waterpokken kan geen infectieziekten meer krijgen.
A
juist
B
onjuist

Slide 9 - Quiz

Bloed stroomt van het hart naar de longen.
Vanuit welk deel verlaat het bloed dan het hart?
A
Vanuit de linkerboezem.
B
Vanuit de linkerkamer.
C
Vanuit de rechterboezem.
D
Vanuit de rechterkamer.

Slide 10 - Quiz

Een rode bloedcel in de bloedsomloop van de mens bevindt zich in de onderste holle ader. De cel gaat daarna 6x door het hart.
Hoe vaak is deze cel dan maximaal door de lever gegaan?
A
0
B
1
C
3
D
6

Slide 11 - Quiz

In welke van deze tekeningen
zijn de standen van de kleppen
weergegeven zoals die tijdens
de normale hartwerking
kunnen voorkomen?
A
In de tekeningen 1 en 2
B
In de tekeningen 1 en 3
C
In de tekeningen 2 en 3
D
In de tekeningen 2 en 4

Slide 12 - Quiz

Via welk bloedvat of welke bloedvaten stroomt het bloed naar de lever?
A
Alleen via de leverslagader.
B
Alleen via de poortader
C
Via de leverader en de poortader
D
Via de leverslagader en de poortader.

Slide 13 - Quiz

Wat is er aan de hand bij een persoon die bloedarmoede heeft?
A
Deze persoon heeft te weinig bloed.
B
Deze persoon heeft te weinig bloedplasma.
C
Deze persoon heeft te weinig bloedvaten.
D
Deze persoon heeft te weinig hemoglobine.

Slide 14 - Quiz

In de afbeelding is de afweerreactie van het
lichaam op een ziekteverwekker schematisch
weergegeven in drie tekeningen Welke letter
geeft antistof aan?
A
P
B
Q
C
R

Slide 15 - Quiz

Waarom wordt de bloedsomloop van de mens een dubbele bloedsomloop genoemd?
A
Omdat alle rode bloedcellen per omloop twee keer door het hart gaan.
B
Omdat de bloedsomloop bestaat uit aders en slagaders.
C
Omdat het bloed per omloop twee keer door het hart stroomt.
D
Omdat het hart zuurstofarm en zuurstofrijk bloed vervoert.

Slide 16 - Quiz

De veranderingen van het gehalte aan glucose (een van de
belangrijkste voedingsstoffen) en van het zuurstofgehalte
van het bloed in de bloedsomloop worden in een diagram
weergegeven in de afbeelding.

Welk diagram geeft de veranderingen weer als het bloed
door de haarvaten van de kleine bloedsomloop stroomt?
A
Diagram 1
B
Diagram 2
C
Diagram 3
D
Diagram 4

Slide 17 - Quiz

De zuurstofconcentratie in het bloed van een mens wordt op een aantal plaatsen van de bloedsomloop gemeten. Op sommige plaatsen daalt de zuurstofconcentratie.
Op welke van de volgende plaatsen daalt de zuurstofconcentratie van het bloed van een mens het snelst?
A
In de darmwand.
B
In de longaders.
C
In de longblaasjes.
D
In de poortader.

Slide 18 - Quiz

Alice heeft een pinda-allergie en heeft daarom altijd een EpiPen bij zich. Wanneer moet Alice haar EpiPen gebruiken?
A
Voordat ze iets gaat eten waar pinda’s in zitten.
B
Wanneer ze een branderig gevoel krijgt na het eten van pinda’s.
C
Wanneer ze na het eten van pinda’s een anafylactische reactie krijgt.

Slide 19 - Quiz

Fatih en Timothy zijn 14 jaar oud. Fatih heeft een krachtig hart, dat per slag meer bloed wegpompt dan Timothy's hart. De jongens zitten rustig in een stoel. Het hart van beide jongens pompt in één minuut evenveel bloed weg. Is het aantal hartslagen per minuut van Fatih dan hoger of lager dan dat van Timothy?
A
Het aantal hartslagen per minuut van beide jongens is dan gelijk.
B
Het aantal hartslagen per minuut van Fatih is dan hoger dan dat van Timothy.
C
Het aantal hartslagen per minuut van Fatih is dan lager dan dat van Timothy.

Slide 20 - Quiz

Hieronder staan vijf gebeurtenissen over de uitscheiding van stoffen door de urinewegen.
1 De nieren halen afvalstoffen uit het bloed.
2 De blaas trekt samen, waardoor de urine wordt geloosd.
3 De nierslagaders voeren bloed aan dat rijk is aan afvalstoffen.
4 De blaas vult zich langzaam met urine.
5 De urineleiders vervoeren urine naar de blaas.
De zinnen 1 tot en met 5 geven een rij opeenvolgende gebeurtenissen aan.
Wat is de juiste volgorde van deze gebeurtenissen?
A
3-1-4-2-5.
B
3-1-5-4-2.
C
5-3-1-4-2.
D
5-1-3-4-2.

Slide 21 - Quiz

Als gevolg van een aangeboren hartafwijking had Pim geen
longslagaderkleppen. Toen hij klein was, onderging hij een
grote operatie. De borstkas en het hart werden toen geopend
om kleppen aan te brengen. de afbeelding wordt het hart
weergegeven. Enkele plaatsen met kleppen zijn met een
letter aangegeven. Welke letter geeft de plaats aan waar de
kleppen bij Pim zijn aangebracht?
A
P
B
Q
C
R
D
S

Slide 22 - Quiz


A
Alleen via de armslagader.
B
Alleen via de beenslagader.
C
Via de armslagader en de beenslagader.

Slide 23 - Quiz

Wat is een vaccin?
A
Een vloeistof die allerlei levende virussen en bacteriën bevat.
B
Een vloeistof die erg besmettelijke bacteriën bevat.
C
Een vloeistof die verzwakte of gedode ziekteverwekkers bevat.

Slide 24 - Quiz

Wat is een belangrijke functie van rode bloedcellen?
A
Het op gang brengen van de bloedstolling.
B
Het vernietigen van bacteriën.
C
Het vervoeren van koolstofdioxide.
D
Het vervoeren van zuurstof.

Slide 25 - Quiz

In welke ruimten van het hart van een mens is het bloed zuurstofrijk?
A
In de beide boezems.
B
In de beide kamers.
C
In de linkerboezem en de linkerkamer
D
In de rechterkamer en de rechterboezem.

Slide 26 - Quiz

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier.
Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart.
Door welke delen van het hart stroomt het bloed hierbij achtereenvolgens?
A
Linkerboezem – linkerkamer – rechterboezem – rechterkamer
B
Linkerkamer – linkerboezem – rechterkamer – rechterboezem
C
Rechterboezem – rechterkamer – linkerboezem – linkerkamer
D
Rechterkamer – rechterboezem – linkerkamer – linkerboezem

Slide 27 - Quiz

In de afbeelding is een doorsnede van een bepaald
type bloedvat getekend.
Van welk type bloedvat is dit een tekening?
Leg uit waaraan je dit kunt zien.

Slide 28 - Open question

In de afbeelding is een deel van het bloedvatenstelsel van
de mens schematisch getekend. Maakt bloedvat 1 deel uit van
de grote bloedsomloop of van de kleine bloedsomloop?
Leg uit hoe je dat kan zien.

Slide 29 - Open question

In de afbeelding is een deel van het bloedvatenstelsel van de
mens schematisch getekend. De bloeddruk in de bloedvaten
2 en 6 wordt met elkaar vergeleken. In welk bloedvat is de
bloeddruk het laagst?
Leg je antwoord uit.

Slide 30 - Open question

Met welk nummer is de leverslagader
aangegeven?

Slide 31 - Open question

Vienna heeft toen ze kind was waterpokken gehad. Vienna past regelmatig op de twee kinderen van haar oudere zus. Een van deze kinderen krijgt waterpokken. Het blijkt dat Vienna immuun is voor waterpokken.
Is de immuniteit van Vienna kunstmatige of natuurlijke immuniteit?
Leg je antwoord uit

Slide 32 - Open question

De bloeddruk kan worden gemeten als een proefpersoon staat, zit of ligt. De waarden van de bloeddruk in deze houdingen blijken niet gelijk te zijn.
Drie verschillende houdingen zijn liggend, zittend of staand.
In welke houding is de bloeddruk in een beenader het laagst?
Leg je antwoord uit.

Slide 33 - Open question

Welke cellen produceren antistoffen?

Slide 34 - Open question

Wat is de functie van halvemaanvormige kleppen?

Slide 35 - Open question

Als het lichaam in aanraking komt met een stof waarvoor het overgevoelig is, ontstaan allergische reacties. Noem twee van zulke reacties.

Slide 36 - Open question

Slide 37 - Slide

Wat is de functie van de delen 1 en 2 samen?

Slide 38 - Open question

Zit er in bloedvat 4 meer of minder zuurstof dan in bloedvat 5 of maakt het geen verschil? Leg je antwoord uit.

Slide 39 - Open question

Einde 
- Lees je antwoorden nog eens door en lever dan je toets in.
- Nu kan je beginnen aan 4.1. Lees de tekst en probeer alvast wat vragen te maken. 

Slide 40 - Slide