BSR 5/6 3b Lezen H5

  • Open je boek op blz. 160-161.
  • Log alvast in op LessonUp! 
3BD:
 Mening, argument
en conclusie
Voordat we beginnen:
timer
3:00
Lezen H5
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

  • Open je boek op blz. 160-161.
  • Log alvast in op LessonUp! 
3BD:
 Mening, argument
en conclusie
Voordat we beginnen:
timer
3:00
Lezen H5

Slide 1 - Slide

  • Je kunt tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden.
  • Je herkent het verschil tussen meningen, argumenten en conclusie van een tekst.
  • Je kunt zelf meningen en argumenten vormen.
Lesdoelen

Slide 2 - Slide

In deze les:
  • De stof van Lezen H1 t/m 4 herhalen.
  • Korte uitleg mening, argument en conclusie: hoe herken je deze dingen in een tekst?
  • Opdracht 3 nakijken.
  • Opdracht 4 en 5 maken.
  • Planning komende weken
    (oefentoets en H6).
  • Gezamenlijk afronden.

Slide 3 - Slide

Hoe zat het ook alweer? (H2)
Tekstdoelen: de schrijver wil iets bereiken met de tekst, hij heeft een doel.


Tekstdoel
De schrijver wil...
Tekstsoort
Informeren
dat je iets te weten komt.
nieuwsbericht, artikel in krant of tijdschrift, schoolboektekst
Overtuigen
dat je dezelfde mening als de schrijver krijgt.
reactie op een website/Insta of ingezonden brief
Instrueren
uitleggen hoe je iets moet doen.
recept, handleiding, gebruiksaanwijzing
Activeren
dat je iets gaat doen.
reclametekst of advertentie
Waarschuwen 
dat je iets niet doet.
reclametekst, advertentie of folder
Adviseren
je raadt geven.
folder (van bijv. de apotheek).
Amuseren
je vermaken.
strip, mop, cabarettekst, verhaal.

Slide 4 - Slide

Tekstverband         Signaalwoorden
opsommend (H3)
ten eerste, ook, verder, en, bovendien
tegenstellend (H3)

maar, toch, daarentegen
voorbeeld (H4)

bijvoorbeeld,  zoals, zo
oorzaak-gevolg (H4)
daardoor, doordat, waardoor

Slide 5 - Slide


Meningargument 
en conclusie




Een mening of standpunt is wat iemand van iets vindt. Met een mening kun je het eens of oneens zijn. Een mening herken je vaak (maar niet altijd) aan signaalwoorden als ik vind, volgens mij, lijkt mij, daarom, dan ook en dus en aan formuleringen als er moet, er zou moeten en we zouden moeten.

Slide 6 - Slide

Mening, argument
en conclusie


Als iemand zegt waaróm hij een bepaalde mening heeft, gebruikt hij een of meer argumenten. Een argument herken je vaak (maar ook niet altijd) aan signaalwoorden als want, omdat, immers en namelijk:

- Er moeten verkeersdrempels in deze straat komen (mening), want er wordt hier veel te snel gereden (argument).
Mick zou op basketbal moeten gaan (mening); daar is hij met zijn lengte van ruim twee meter namelijk erg geschikt voor (argument 1). Bovendien is hij erg handig met een bal (argument 2).

Slide 7 - Slide

Wat is het argument bij de mening: 'Daarom vind ik dat ons onderwijs niet goed is ingericht voor de ontwikkeling van ieder talent.' (al. 3)?
A
We houden er te weinig rekening mee dat de samenleving ieder talent keihard nodig heeft
B
Bedrijven staan te springen om jonge werknemers die een vak hebben geleerd.
C
In de zorg is er nog steeds een grote vraag naar handen aan het bed, in plaats van naar 'hoofden'.
D
Er wordt geen argument bij dat standpunt gegeven.

Slide 8 - Quiz

Bedenk een argument bij het standpunt 'Schoolboeken moeten worden afgeschaft'.

Slide 9 - Open question


Mening, argument en conclusie


Als een schrijver alle argumenten heeft gegeven, trekt hij aan het eind vaak een conclusie. De schrijver kan dan kort zijn mening en argumenten herhalen. Je herkent een conclusie aan signaalwoorden zoals: dus, concluderend, dat betekent. Bijvoorbeeld: – Als je je afval scheidt, is dat dus goed voor het milieu, omdat je dan zuinig bent met grondstoffen en energie. Daarom vind ik dat iedereen zijn afval zou moeten scheiden.

Slide 10 - Slide

Uitlegfilmpje!

Slide 11 - Slide

Opdracht 3 (blz. 160) nakijken in LessonUp.
timer
10:00

Slide 12 - Slide

Vul de zin aan en maak deze af:
Ik vind het [wel] of [niet] goed dat er dierentuinen zijn, omdat ...

Slide 13 - Open question

Wat is het onderwerp van tekst 3?
Kies één antwoord.
A
dieren
B
dierentuinen
C
Ministerie van landbouw
D
gedrag van dieren

Slide 14 - Quiz

Vul de zin aan:
In alinea 2 staat dat dierentuinen in Nederland streng worden gecontroleerd, het gevolg daarvan is ...

Slide 15 - Open question

In tekst 3 staan voor- en nadelen van dierentuinen. De voordelen staan in alinea ...
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 16 - Quiz

In tekst 3 staan voor- en nadelen van dierentuinen. De nadelen staan in alinea ...
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 17 - Quiz

In alinea 4 staat dat de dieren niet meer op jacht hoeven te gaan naar voedsel en niet bang hoeven te zijn voor dieren. Het gevolg daarvan is ...

Slide 18 - Open question

In de slotalinea (al. 5) herhaalt de schrijver kort de voor- en nadelen van dierentuinen
A
waar
B
niet waar

Slide 19 - Quiz

Wat wordt ook alweer bedoeld met
de hoofdgedachte van een tekst?

Slide 20 - Open question

Wat is de hoofdgedachte van tekst 3?

A
De meeste mensen beleven plezier aan het bezoeken van dierentuinen.
B
Dierentuinen hebben zowel voordelen als nadelen.
C
Nederlandse dierentuinen zijn beter dan die in het buitenland.
D
Sommige dieren worden helaas met uitsterven bedreigd.

Slide 21 - Quiz

Wat betekenen de woorden? Maak de juiste verbindingen.
iemand die strijdt voor een goede zaak
nieuweling (in het vak)
de drukte van mensen die bezig zijn
groentje
bedrijvigheid
voorvechter

Slide 22 - Drag question

Wat betekenen de woorden? Maak de juiste verbindingen.
iets doen wat je eigenlijk niet durft
heel zenuwachtig
ergens graag hard voor willen werken
met knikkende knieën
motivatie
de stoute schoenen aantrekken

Slide 23 - Drag question

Lezen: tekst 4 op bladzijde 162-163.

Slide 24 - Slide

Wat?
Lezen H5: Mening, argument en conclusie. Opdracht 4 en 5 op bladzijde 161-163.
Hoe?
Zelfstandig. 
Werk de antwoorden uit in je boek of schrift.
Hulp
De theorie in deze LessonUp en de uitleg op blz. 156.
Tijd
Vijftien minuten.
Waarom?
Om te oefenen voor de leestoets in de toetsweek.
Klaar?
Werk alvast verder aan de extra opdracht in je online boek (Hoofdstuk 5, Lezen -> extra opdracht).
Huiswerk voor morgen
timer
15:00

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

  • Je hebt de stof van Lezen periode 1 herhaald.
  • Je kunt onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken in een tekst.
  • Je kunt bepalen wat de kernzin van een alinea is.
Lesdoelen

Slide 27 - Slide


Tegenstellend verband


Chronologisch verband


Opsommend verband


Toelichtend verband

Lisanne miste haar trein, maar kwam toch op op tijd voor haar sollicitatiegesprek
Eerst moet het gehakt bakken, daarna de groenten toevoegen en dan kan de saus worden gemaakt.
Ik heb een kat, konijn, hamster en een hond.

Ellie had de inbraak bij de buren niet gehoord. Ze sliep namelijk niet thuis.

Ik speel elk weekend games, zoals GTA, Fifa en Mario Kart.
"Vorig jaar sportte ik drie keer in de week, maar daar heb ik nu geen tijd meer voor."

Slide 28 - Drag question

Iets wat waar is of onwaar en wat je kunt controleren.
Iets wat iemand vindt en waarmee je het eens of oneens kunt zijn.
De reden waarom iemand iets vindt.
Een argument is...
Een feit is...
Een mening is...

Slide 29 - Drag question

Neem deel onze LessonUp klas
Wat kun je hier vinden?
  • LessonUps
  • Video's
  • Handige websites 

Klassencode
u3bd: uecek

Slide 30 - Slide