Schritt 47-52

Schritt 47-52
nieuw: naamval 3
herhalen naamval 1 en 4
lezen
luisteren
Schreiben ( Aufgabe 3, Seite 123)
1 / 12
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 12 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 1 min

Items in this lesson

Schritt 47-52
nieuw: naamval 3
herhalen naamval 1 en 4
lezen
luisteren
Schreiben ( Aufgabe 3, Seite 123)

Slide 1 - Slide

naamval 3
Het meewerkend voorwerp staat in naamval 3.
2 manieren om het meewerkend voorwerp te vinden.
Manier 1: 
aan wie/wat + gezegde+ onderwerp+ lijdend voorwerp
De man heeft zijn zoon een auto gegeven.
Aan wie/wat heeft de man een auto gegeven?
aan zijn zoon

Slide 2 - Slide

naamval 3
manier 2:
Het meewerkend voorwerp kun je vervangen door:
aan HEM/voor HEM
De mam heeft zijn zoon een auto gegeven.
De man heeft aan HEM een auto gegeven.
zijn zoon = aan hem

Slide 3 - Slide

naamval 3
mannelijk en onzijdig hebben dezelfde uitgang
geen verschil in uitgang tussen Der-Gruppe/ ein_Gruppe 

m
dem
einem
v
der
einer
o
dem
einem
mv
den
keinen

Slide 4 - Slide

De voorzetsels van de derde naamval
aus 
uit
bei
bij
mit
met
nach
na, naar
seit
sinds
von
van
zu
naar (bij personen)
Na deze voorzetsels volgt dus de derde naamval (Dativ) 

Slide 5 - Slide

Welke voorzetsels zijn er in de 4e nv?
durch
für
gegen 
ohne
um
bis
entlang
voorzetsels Dativ (3. Fall) 
aus = uit
bei = bij
mit = met
nach = na, naar
seit = sinds
von = van, door
zu = naar, tot, bij
außer = behalve
gegenüber = tegenover
an......vorbei = langs

voorzetsels Akkusativ (4. Fall)
durch = door
für = voor
gegen = tegen
ohne = zonder
um = om
bis = tot

Slide 6 - Slide

naamval 1
onderwerp van de zin
Twee  manieren om het onderwerp te vinden:
1. wie/wat + gezegde (de werkwoorden in een zin)
De man heeft een auto gekocht
Wie heeft een auto gekocht? de man = nv 1

2. hij- regel

Slide 7 - Slide

naamval 4 : lijdend voorwerp
Twee manieren om het lijdend voorwerp te vinden.

Manier 1: Wie/wat+ gezegde+ onderwerp
De man heeft een auto gekocht.
Wie/wat heeft de man gekocht? een auto = lijdend voorwerp

Manier 2: hem -regel

Slide 8 - Slide

koppelwerkwoorden
oa. sein/werden/bleiben

Een koppelwerkwoorden verbinden  het onderwerp met een naamwoordelijk deel in de zin.

ond- kww- nwdeel

Jan is een leuke jongen. 


Omdat het naamwoordelijk deel over dezelfde zaak/persoon gaat als het onderwerp, staat het ook in naamval 1



Slide 9 - Slide

het naamwoordelijk deel =1
In een zin met een naamwoordelijk deel staat dus 2x naamval 1.
onderwerp ( 1)  koppelwerkwoord naamwoordelijk deel (1)
Voorbeeld:
Der Junge (1)  hat einen guten Freund (4)
Der Junge (1) ist mein guter Freund (1)

Slide 10 - Slide

Maken gezamenlijk Schritt 47
Aufgabe 3A
3B
Aufgabe 6

mondeling doornemen Schritt
48 Schreiben 3

timer
20:00

Slide 11 - Slide

Maken zelfstandig in de les
online
Schritt 48
Aufgabe 3:
- Beschrijf jezelf uitvoerig.
Gebruik minimaal 30 woorden.

- Schritt 51 Lesen
alle Aufgaben

grammaticakaart bijwerken

timer
20:00

Slide 12 - Slide