Grammatica Cursus 5

Welkom H3
1. Jas NIET in de klas. 
2. Kauwgom uit. 
3. Tas van tafel.
4. Boeken OP de tafel
5. Pak je leesboek.
timer
2:00
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 30 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Welkom H3
1. Jas NIET in de klas. 
2. Kauwgom uit. 
3. Tas van tafel.
4. Boeken OP de tafel
5. Pak je leesboek.
timer
2:00

Slide 1 - Slide

Leesmoment
timer
15:00

Slide 2 - Slide

Donderdag 10 april
Bekijk de bestanden in Teams - opdrachten te gaan en klik op betoog.
Bereid je voor door bij de stellingen argumenten te zoeken (online, of zelf bedenken, vraag je ouders om hun mening).
Je krijgt hier donderdag ook even de tijd voor (max. 10 min)
Bedenk een mogelijk tegenargument bij je standpunt (jij bent als schrijver voorstander van het standpunt) maar tegenstanders van jouw standpunt hebben ook een argument, dat is het tegenargument. Dat noem je en ga je vervolgens weerleggen.











Slide 3 - Slide

Grammatica Cursus 5
Grammatica § 7, 9, 11
Formuleren § 4,5,6 

Slide 4 - Slide

Paragraaf 7 De beknopte bijzin
Een beknopte bijzin (bekn.bz) is een zin zonder persoonsvorm en soms ook nog met een verzwegen onderwerp. 
Wie of wat het onderwerp is in de zin weet je meestal wel: 
Dribbelend met de bal, rende Robin naar het doel. 

Slide 5 - Slide

Hoofdzin en bijzin
Luisterend naar muziek, fietste Adam naar huis.

Wat is de bijzin?
Wat is de hoofdzin?
Is er sprake van een verzwegen onderwerp?
Leg uit.

Slide 6 - Slide

Wat staat er wél in de beknopte bijzin?
Geen persoonsvorm, maar wat dan wel?
* een voltooid deelwoord of onvoltooid deelwoord
1. Bij de apotheek aangekomen, bleek zij gesloten te zijn.
2. Al lezend op zijn telefoon liep hij het klaslokaal in.
Vraag: Welk deelwoord staat er in de bijzin?

Slide 7 - Slide

Wat staat er wél in de beknopte bijzin?
Geen persoonsvorm, maar wat dan wel?
* (om) te + hele werkwoord
Zij hebben mij gisteren op het hart gedrukt (om) niets over het afgrijselijke voorval  tegen jullie te zeggen.
Vraag: wat is het hele werkwoord/de infinitief?

Slide 8 - Slide

Stappenplan zinsontleding
1. Zet de zin in een andere tijd.
2. Stel de vraag: wie of wat + gezegde?
3. Wie/wat+ ow+gez?
4. Aan wie/Voor wie + ow+lv?
5. Vraag wanneer, waar, waarheen, waarom, hoe, hoeveel. De vragen gaan  over tijd, richting, plaats, reden, hoeveelheid.  
6 zoek de bijzin zonder pv en bekijk of er een vdw, odw of te+inf staat.
Welk zinsdeel heb je gevonden?
1. Dan vind je de persoonsvorm
2. Je vindt daarmee het onderwerp
3. Als je deze vraag stelt, vind je het lijdend voorwerp van de zin. 
4. Meewerkend voorwerp
5. bijwoordelijke bepaling
6. beknopte bijzin: zinsdeel kan ow/lv/bwb of bijv.bep zijn.

Slide 9 - Slide

Harold beloofde de hond uit te laten.
Deze zin heeft een beknopte bijzin zonder persoonsvorm.
Stap 1: welk deel kent geen persoonsvorm?
Stap 2: wat zie je staan?  (on)voltooid dw of te+inf 
Stap 3: om welk zinsdeel gaat het hier? ow/lv/bwb?

Slide 10 - Slide

Zinsdelen
Een beknopte bijzin is net als gewone bijzinnen een zinsdeel of een zinsdeelstuk; het is bijvoorbeeld het onderwerp, het lijdend voorwerp of een bijwoordelijke bepaling in de zin.


Slide 11 - Slide

Een bijvoeglijke bepaling
Hanna heeft een mooie fiets. 

Een bijvoeglijke bepaling is het zinsdeel dat iets zegt over het antecedent. 
Vraag: welk zinsdeel is in bovenstaande zin de bijv. bep?

Slide 12 - Slide

De angst om de antieke vaas te breken was voor hem een nachtmerrie.
1. wat is de hoofdzin? Zoek pv en ow
2. welk deel is de beknopte bijzin? (zoek voltooid deelwoord, of onvoltooid deelwoord of te+hele werkwoord).
3. Ontleed eerst de hoofdzin.

Slide 13 - Slide


HOOFDZIN ONTLEDEN


De angst om de antieke vaas te breken was voor hem een nachtmerrie.



1. pv = was
2. 0w= de angst
3. lv= een nachtmerrie
4. mw= voor hem
5. bwb= x (staat er niet in)

Slide 14 - Slide

De angst om de antieke vaas te breken was voor hem een nachtmerrie.
beknopte bijzin= om de antieke vaas te breken
Dit zinsdeelstuk is een bijvoeglijke bepaling en slaat terug op het antecedent in de hoofdzin. 
Vraag: wat is het antecedent in de hoofdzin?

Slide 15 - Slide

Aan de slag
Maak opdracht 1 t/m 5

Slide 16 - Slide

Paragraaf 9 Congruentie
In zinnen komt de persoonsvorm in persoon en getal overeen met het onderwerp.
Meestal is dat niet moeilijk, maar er zijn een paar lastige gevallen...

Slide 17 - Slide

Uitzonderingen op de regel
Er is dan geen sprake van congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm, want onderwerp en persoonsvorm verschillen van getal (meervoud/enkelvoud). 

Slide 18 - Slide

Wanneer is de persoonsvorm enkelvoud, terwijl het onderwerp een meervoud is?
1. Bij woordgroepen met een enkelvoudige kern:
Het merendeel van de mensen heeft een paspoort.
De groep zebra's was op zoek naar een drinkplaats.
2. Als het onderwerp een verzamelnaam is voor personen, dieren en dingen:
De politie zoekt getuigen.

Slide 19 - Slide

Wanneer is de persoonsvorm enkelvoud?
3. Titels van boeken en films: 
De Avonden is een boek en het is ook verfilmd.
4. Rekeneenheden zoals meter, liter, gram: 115 liter past in en gemiddeld bad. 

Slide 20 - Slide

En dan nu het lastigste onderdeel:
Eén van de patiënten, die naar een ander ziekenhuis verhuisden, was mijn moeder.
1. Wat is de hoofdzin?
2. Wat is de bijzin?
3. Is het onderwerp meervoud? 
4. Wat gebeurt er met de pv in de hoofdzin?
5. Staat de pv van de bijzin in het enkelvoud of meervoud?
6. Welke regel is er van toepassing?

Slide 21 - Slide


één van de + meervoudig woord + die 
De bijzin krijgt een meervoudige persoonsvorm.

Het merendeel van de mensen, die met de bus naar huis .......
, ......een busabonnement.

Slide 22 - Slide

Aan de slag
Maak opdracht 1 tm 6
Opdracht 6:
In de wasmand ligt een paar sokken. 
In de wasmand liggen een paar sokken. 

Slide 23 - Slide

Paragraaf 11 Bedrijvende en lijdende vorm
Bedrijvend= actieve zin (je voert de handeling uit)
Lijdend= passieve zin (je ondergaat de handeling)

Je kunt bedrijvende zinnen omzetten in de lijdende vorm. 

Slide 24 - Slide

Omzetten bedrijvend naar lijdend
Lijdend voorwerp wordt onderwerp
Er komt het werkwoord 'worden' bij (onvoltooid) of 'zijn' (voltooid)
De tijd van de zin mag hierdoor niet veranderen.

Slide 25 - Slide

De getuige zal het bruidspaar fotograferen.
Zoek het lv=het bruidspaar
Het onderwerp wordt een door-bepaling. 
Voeg het werkwoord 'worden' (bij onvoltooide tijd) of 'zijn' ( bij voltooide tijd)toe; 
Dus bepaal de tijd van de bedrijvende zin die je gaat omzetten. Is het de onvoltooide of voltooide tijd?

Slide 26 - Slide

Een klasgenoot heeft mijn gymtas meegenomen!
Zet bovenstaande bedrijvende zin om in een lijdende zin. 
Stap 1. Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?  Dat wordt nu je onderwerp voor de lijdende zin.
2. Ow krijgt door-bepaling.
3. In welke tijd staat de bedrijvende zin? Voltooid, dus werkwoord 'zijn' toevoegen en niet 'worden.
Zet nu de zin om.

Slide 27 - Slide

Antwoord
Mijn gymtas is door mijn klasgenoot meegenomen.
Of
Mijn gymtas is meegenomen door mijn klasgenoot. 

Slide 28 - Slide

Andersom kan ook
Van lijdend naar bedrijvend: 
Mijn jongere broertje wordt door mij getrakteerd op een patatje oorlog.
Maak van deze passieve zin een actieve zin. 

Slide 29 - Slide

Aan de slag
Maak opdracht 1 tm 6

Slide 30 - Slide