NIG H 15

Lesplan
1. Huiswerk nakijken.

2. Hoofdstuk 15. 



1 / 14
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 14 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 180 min

Items in this lesson

Lesplan
1. Huiswerk nakijken.

2. Hoofdstuk 15. 



Slide 1 - Slide

Vragen over het huiswerk? 

Slide 2 - Slide

Tests
18 March - Chapter 18 + Speaking test 

25 March - Listening/Writing and Reading tests via TestVision

Resit of the test - Tuesday 1 April at 19.00 online



Slide 3 - Slide

Na deze les: 

1. ...kun je vertellen over een reis.  
2. ... kun je beschrijven wat je ziet. 






Slide 4 - Slide

Hoe laat is het? - Het is ..... . 

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Link

Werk in het boek:

Hoofdstuk 15
15.1
bladzijde 
209

Slide 7 - Slide

Beschrijven wat je ziet
Kijk eens, daar/hier + inversie
(Kijk eens, wat een mooie auto dit is!
Kijk eens, hier staat een mooie auto)

Moet je eens zien wat/hoe ......
(Moet je eens zien wat een mooie auto (dit is) / hoeveel rook er binnen was!) 

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Demonstratieve pronomen
Die 
- de-woorden 
Vind je deze auto mooi? Die vind ik te groot. 
- personen 
Waar woont jouw familie? Die woont in Oekraïne. 
Dat 
- het-woorden
We gaan deze zomer naar het Gardameer. Dat ziet er adembenemend uit
- hele zin 
Heeft hij vandaag de was gedaan? Ja, hij heeft dat gedaan/dat heeft hij gedaan. 

Slide 10 - Slide

De weg wijzen
U gaat hier rechtdoor.
Aan het eind van de straat gaat u linksaf/rechtsaf.
U steekt de straat over.
U neemt de eerste/tweede/derde straat rechts/links.
Het café is aan de rechterkant/linkerkant.
De tram stopt tegenover de ingang.
U gaat de trap op naar boven.
U gaat de trap af naar beneden.
U gaat in die richting.
Volg de bordjes. 
De weg wijzen (Imperatief)
Ga hier rechtdoor.
Aan het eind van de straat ga rechtsaf/linksaf.

Steek de straat over.
Neem de eerste/tweede/derde straat rechts/links.
Het café is aan de rechterkant/linkerkant.
De tram stopt tegenover de ingang.
Ga de trap op naar boven.
Ga de trap af naar beneden.
Ga in die richting.
Volg de bordjes. 
Dit is/Dit zijn - iets dat dichtbij is (close)

Dat is/Dat zijn - iets dat verder weg is (far away) 

Slide 11 - Slide

Ik vind ...... leuk/mooi/ fijn/prettig/handig.
Ik vind .....warmer/handiger/prettiger (dan)...

Slide 12 - Slide

Huiswerk
Huiswerk voor dinsdag 4 maart:
boek: 
opdracht 8, blz. 215
opdracht 10, blz. 217 (maak 10 zinnen met 10 woorden en stuur ze naar docent)
opdracht 12, blz. 217 (stuur het naar docent)
15.6 opdracht 13
15.7 opdracht 14
In de praktijk, blz. 219
online boek
15.2    15.3
15.4     15.7


Slide 13 - Slide

Goed gedaan!

Slide 14 - Slide