Vorbereitung auf Toetsweek (TW) 2 Deutsch Vwo 3

1 / 48
next
Slide 1: Video
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Video

Vorbereitung auf Toetsweek (TW) 2 Deutsch Vwo 3
- Kapitel 2 
- Kapitel 3 

Wörter = alle Wörter Kapitel 2 
Wörter = Wörter Kapitel 3 = Lektion 1,2,3
Redemittel = Seite 101, 103 en 153/154
Grammatik = volgende slide
Landeskunde = alleen datgene wat je in de LessonUP kunt vinden

Slide 2 - Slide

Grammatik 
- Modalverben (een kort verhaal, vervoegingen al gegeven)
Ik heb deze Modalverben niet in jullie toets verwerkt! 
- sterke en zwakke werkwoorden vervoegen onvoltooid tegenwoordige tijd en voltooide tijd
- Imperativ (gebiedende wijs) 
- verbuigen der- en ein Gruppe (schema in toets) 
- Komparation

Slide 3 - Slide

Redemittel 
je geeft direct een Duitstalig antwoord op
1- een beeld/plaatje
2- een omschrijving van een situatie 

Slide 4 - Slide

Redemittel 
Ik vraag dit onder andere aan de hand van een beeld. 
Een hele mooie oefening hiervoor is de oefening op blz 71, Aufgabe 12 

Ik vraag het in de context van een situatie (zoals in jullie oefentoets) 
Ik vind het namelijk van belang wanneer je in een reële situatie kunt antwoorden. 

Slide 5 - Slide

Tip:
Neem het oefenen met de Redemittel serieus. Het oefenen helpt je enorm op weg in jouw toets. 

En hou je zinnen kort. Korte duidelijke communicatie in kortere volzinnen 

Slide 6 - Slide

Ich gebe (mijn) Mutter Blumen

Slide 7 - Open question

männlich
weiblich
sächlich
Mehrzahl
1.
der Mann
ein Mann
die Frau
eine Frau
das Kind
ein Kind
die Kinder
keine Kinder
3.
dem Mann
einem Mann
der Frau
einer Frau
dem Kind
einem Kind
den Kindern
keinen Kindern
4.
den Mann
einen Mann
die Frau
eine Frau
das Kind
ein Kind
die Kinder
keine Kinder
Formen der Fälle                     Der- und Ein-Gruppe

Slide 8 - Slide

uitgelegd
Ik geef bloemen aan mijn moeder 

ik = onderwerp (Subjekt/Nominativ/1e naamval) 

bloemen = lijdend voorwerp (akkusativ/4e naamval) 

moeder = meewerkend voorwerp (dativ)

Slide 9 - Slide

In deze toets 
krijgen jullie van mij het der- en ein schema erbij



 

Slide 10 - Slide

Beispiel 
Du wirst später bestimmt ein................ guter Arzt (m).

= ein

werden = Subjekt bepaling 

Slide 11 - Slide

Komparation 
trappen van vergelijking 

snel - sneller - snelst 
schnell - schneller - am schnellsten 

Slide 12 - Slide

Komparation
Trappen van vergelijking

Slide 13 - Slide

Trappen van vergelijking
Komparation
Positiv, Komparativ & Superlativ

Slide 14 - Slide

ueben! 
https://wordwall.net/de/resource/39109421/deutsch-als-fremdsprache/steigerung-der-adjektive

Slide 15 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden

Slide 16 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden
1  O
ich
du
er
sie
es
3 MV
mir
dir
ihm
ihr
ihm
4 LV
mich
dich
ihn
sie
es
1  O
wir
ihr
sie
Sie
3 MV
uns
euch
ihnen
Ihnen
4 LV
uns
euch
sie
Sie

Slide 17 - Slide

Schema in toets? 
niet maar is ook niet nodig.
Ik heb er namelijk geen Aufgabe in verwerkt waarin jij Personalpronomen moet toepassen. 

Slide 18 - Slide

Verben (werkwoorden) met Dativ en Akkusativ 
Dativ = danken / helfen / gehören / zeigen / gratulieren

Akkusativ = fragen / einladen / finden 

Let op: dit zijn de werkwoorden die ik je vraag in de toets

Slide 19 - Slide

oefen er gerust mee :) 
https://wordwall.net/resource/3849727/verben-mit-akkusativ-nominativ-dativ

Slide 20 - Slide

Modalverben 
jullie weten de betekenis van de Modalverben
Geen opgave in deze toets 



https://www.lehrerlenz.de/lektion_13_modalverben.html

Slide 21 - Slide

Modalverben
dürfen
mogen (toestemming hebben)
können
kunnen
mögen
leuk vinden / lusten
müssen
moeten

Slide 22 - Slide

Modalverben

Slide 23 - Slide

verschil tussen sollen en müssen
müssen = een noodzakelijkheid
sollen = een ''moet'' die een ander je deelt (een raadgever) 

Lize muss zum Arzt gehen. Sie soll den Fuß kühlen

Ze moet naar de arts. Een ander adviseert haar de voet te koelen


Slide 24 - Slide

Partizip Perfekt

Slide 25 - Slide

Partizip II = voltooid deelwoord
Perfekt = v.t.t



Partizip = voltooid deelwoord
Perfekt = v.t.t.

Slide 26 - Slide

Een aantal werkwoorden voor jullie. Ik deel er nog een aantal in deze LessonUP 
  1. gekauft
  2. gespielt
  3. geschwommen
  4. beschrieben
  5. gewünscht
  6. fotografiert
  7. besucht 

Slide 27 - Slide

Imperativ 
spreek ik 1 persoon aan = stam ww enkelvoudsvorm 
spreek ik 2 personen of meerdere personen aan = stam + t meervoudsvorm 
spreek ik iemand aan in de beleefdheidsvorm = hele ww + Sie 

Slide 28 - Slide

oefenen Imperativ 
https://wordwall.net/resource/39362263/übung-imperativ

Slide 29 - Slide

In jouw toets vraag ik het ongeveer zo
Het is koud in het klaslokaal. Je docent Duits laat het raam openstaan. Wat zeg je?
das Fenster – schließen →

 = schließen Sie das Fenster 

Je vrienden staan al een half uur op je te wachten, maar jij komt er bijna aan. Wat zeg je?
bitte – einen Moment – Geduld – haben →

 = Habt einen Moment Geduld bitte! 

Slide 30 - Slide

Sterke werkwoorden

Slide 31 - Slide

oefenen hulpwerkwoorden en werkwoorden
https://deutsch.lingolia.com/de/grammatik/zeitformen/praesens/uebungen

Slide 32 - Slide

riesig
A
roestig
B
reusachtig
C
miezerig
D
hagelslag

Slide 33 - Quiz

irritant is in het Duits...
A
nervig
B
irritanz
C
verrückt
D
stolz

Slide 34 - Quiz

hässlich
A
voordat
B
haasten
C
lelijk
D
tevergeefs

Slide 35 - Quiz

Die ..... Sonnenbrille ist hässlich.
A
rote
B
roten
C
roter
D
rotes

Slide 36 - Quiz

sauer
A
zoet
B
zuur

Slide 37 - Quiz

Wörter
https://dashboard.blooket.com/set/659fab0d74368624735d1c53

Slide 38 - Slide

der-Gruppe

3e naamval vrouwelijk?
A
die
B
das
C
der
D
den

Slide 39 - Quiz

Ihr ........ eine tolle Gruppe.
A
seid
B
sind
C
seit
D
bist

Slide 40 - Quiz

der-Gruppe

4e naamval mannelijk
A
die
B
das
C
der
D
den

Slide 41 - Quiz

oefenen Satzanalyse 
https://wordwall.net/de/resource/15254626/satzglieder-bestimmen

Slide 42 - Slide

bepaalde en onbepaalde lidwoorden 
https://wordwall.net/de/resource/54498910/bestimmter-oder-unbestimmter-artikel

Slide 43 - Slide

WELCHE FLAGGE GEHÖRT ZU WELCHEM LAND?
Die Schweiz
Österreich
Deutschland

Slide 44 - Drag question

Bist du in den Ferien 
die Schweiz gefahren?
_______
in
nach
zu

Slide 45 - Drag question

Sleep het juiste gerecht/product naar het juiste land
Österreich
Deutschland
die Schweiz

Slide 46 - Drag question

plotseling
de maand
omdat
Zwitserland
de taal
de verrassing
weil
die Überraschung
die Sprache
die Schweiz
plötzlich
der Monat

Slide 47 - Drag question

veel oefenen met der - ein Gruppe 
https://deutschlernerblog.de/deklination-unbestimmter-artikel-online-uebungen-grammatikuebungen/

Slide 48 - Slide