Vrijdag 14 maart 2025

1 / 32
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Vrijdag 14 maart 2025

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Programma
- Lezen
10 min
- Fictiedossier
5 min
- Terugblik vorige les
10 min
- "Spreekopdracht"
20 min
-Oefenen
25 min
-Afsluiting
10 min

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Lezen
Je pakt je leesboek voor je, we beginnen met stillezen!





timer
10:00

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Fictiedossier
Schooljaar 2024-2025

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Fictiedossier
Periode 1 > boektoets 'Slecht' 
Periode 2 > Verwerkingsopdrachten eigen leesboek
Periode 3 > Pitch boek Jonge Jury
Periode 4 > Verwerkingsopdrachten verhalenbundel

Totaal 4 beoordelingen 
Gemiddelde is jouw cijfer voor fictie

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Terugblik vorige les
Verwijswoorden
Synoniemen
Bijwoorden
Voornaamwoorden

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Slide 8 - Link

This item has no instructions

Welke 3 verwijswoorden werden in de video genoemd?

Slide 9 - Open question

This item has no instructions

Waarom gebruiken we verwijswoorden?
A
Omdat dat leuk is.
B
Omdat er anders veel herhalingen in de tekst voorkomen.

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Welke verwijswoorden horen in deze zin? 
Sleep de verwijswoorden naar de goede plaats.
Vera doet het trucje voor.    ________  zegt:

‘Zo moet je ________ doen.’
deze
die
hij
zij
het

Slide 11 - Drag question

This item has no instructions


Wat is een 'synoniem'? Een synoniem is:....
A
Hetzelfde als een tegenstelling
B
Een ander woord met dezelfde betekenis
C
Een omschrijving
D
Net als een tegenstelling

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

KORT SAMENGEVAT
Verwijswoorden verwijzen naar andere woorden in een tekst.
Er zijn verschillende soorten:

Voornaamwoorden: hij, zij, dit, die, mijn, zijn
Bijwoorden: daar, daarvan, hoe, toen, waar, wanneer
Synoniemen: verschillende woorden met dezelfde betekenis

Het is belangrijk om duidelijk te maken waarnaar een verwijswoord verwijst, anders kan het voor de lezer onduidelijk zijn!

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Hoofdstuk 3 paragraaf 4
SPREEKOPDRACHT

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Leerdoelen
Wat behandelen we vandaag?

  • Ik weet wat een goed interview is en hoe ik een goed interview kan houden.

  • Ik kan goede en minder goede interviewvragen herkennen.

  • Ik kan minder goede interviewvragen verbeteren en zelf interviewvragen
         bedenken.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Interview

Slide 16 - Mind map

This item has no instructions

Interview
We gaan zo naar een kort interview kijken. 

De kijkvraag is >

Wat valt jou op aan de geïnterviewde persoon?

Deze kijkvraag bespreken we pas na het kijken!

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Slide 18 - Video

This item has no instructions

Interview




De kijkvraag >

Wat valt jou op aan de geïnterviewde persoon?

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Begrippen:

  • Gesloten vraag 

  • Open vraag  

Slide 20 - Slide

Kijk de volgende video's waarin de begrippen uitgelegd worden.

Optie:
Vraag aan de leerlingen om te raden wat deze begrippen betekenen.
 Wat is volgens jou de definitie van meertaligheid?
              Wat is volgens jou de definitie van meertaligheid?

Slide 21 - Slide

Definieer meertaligheid en leg de voordelen uit.
Je bent meertalig als je ofwel meer dan één taal kan begrijpen, spreken of schrijven, ofwel als je regelmatig meer dan één taal gebruikt.
              Wat is volgens jou de definitie van meertaligheid?

Slide 22 - Slide

Definieer meertaligheid en leg de voordelen uit.
We gaan kijken naar een interview. We doen dit twee keer.

Lees eerst de vragen bij opdracht 1 op bladzijde 60. 

Dit eerste keer moet je heel goed luisteren en bij de tweede keer kan je de vragen beantwoorden in je schrift.

Instructie 

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Slide 24 - Link

This item has no instructions

INTERVIEW
* Bijzondere vorm van een gesprek, bedoeld om meer te leren over iets of iemand. 

* Vaste rolverdeling >
interviewer stelt vragen > geïnterviewde beantwoordt de vragen


Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Spreekopdracht
Je gaat iemand interviewen over meertaligheid.


Doel hiervan is om meer te leren over hoe het is om met meerdere talen op te groeien.

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Oefeningen
Wie?
Zelfstandig in rust
Wat?
Hoe?
Antwoorden in schriftje schrijven
Hulp?
Docent
Tijd?
Tot 10 minuten voor eindtijd.
Uitkomst?
Je beheerst de gestelde leerdoelen.
Klaar?
Woordenschat > woorden hoofdstuk 3 doornemen
Samenvatting maken hoofdstuk 3 > alvast voor de toetsweek
Fictiedossier > zie Classroom
Huiswerk:
Hoofdstuk 4 paragraaf 3 > opdracht 2 t/m 10 > interview houden + beoordelen!!

Hoofdstuk 3 paragraaf 4 > opdracht 2 t/m 7 ( bladzijde 60 en 61)

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Spreekopdracht
Opdracht 8 > Je gaat nu het interview houden. 
> lees hierbij goed de punten door waar je op kan letten

Opdracht 9 + 10 > interview evalueren door middel van vragen

Interview moet voor de les van vrijdag 21 maart zijn gehouden!!

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Woordenschat
Denk ook aan het leren van de woorden uit de verschillende paragrafen van hoofdstuk 3. 

Woordenlijst staat ook in Classroom!

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Welke leerdoelen beheers je nu?
Deze leerdoelen beheers ik nu al
Deze leerdoelen beheers ik nog niet. Dus ga ik hier nog mee verder oefenen/lezen. Anders vraag ik hulp aan de docent.
Ik weet wat een goed interview is en hoe ik een goed interview kan houden.
Ik kan goede en minder goede interviewvragen herkennen.
Ik kan minder goede interviewvragen verbeteren en zelf interviewvragen bedenken.

Slide 30 - Drag question

This item has no instructions

Rondpraat
* Coöperatieve werkvorm
* In een groepje
* Eerst denktijd, daarna pas beginnen
* 1 iemand praat, anderen luisteren
* Je draait met de klok mee
* Per persoon 30 seconden


Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Rondpraat
Vertel bij wie jij het interview gaat afnemen en waarom je voor deze persoon hebt gekozen. 

1 iemand praat
30 seconden
dan de volgende
met de klok mee

timer
0:30

Slide 32 - Slide

This item has no instructions