les 33 - Grammatica 11

les 33 - Grammatica 11
1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

les 33 - Grammatica 11

Slide 1 - Slide

Welkom - 2 havo

Slide 2 - Slide

huiswerk woensdag 12-3
Blz. 228

Opdracht 1, 2, 4

Nakijken!

Slide 3 - Slide

Nakijken
Opdracht 1
vroeg = zww, lustte = zww
lijkt = kww, hoeft = hww te werken = zww
lijken = kww, kunnen = hww zorgen = zww
kan = hww vertellen = zww, oplopen = zww
is = hww geopend = zww, blijft = kww
is = kww, typ = zww

Slide 4 - Slide

Nakijken
Opdracht 2
snoot = zww, gooide = zww
zijn = hww, afgezaagd = zww, kunnen = hww lopen = zww
wilde = hww kopen = zww, is =kww, moet = hww sparen = zww
heette = kww, kon = hww drummen = zww zingen = zww, bleek = kww
verleng = zww, is hww opgelopen = zww
zijn = kww, mag = hww laten = hww zien = zww wijzen = zww

Slide 5 - Slide

Nakijken
Opdracht 4
Snurkgeluid is (kww) een van de hardste geluiden die een mens kan (hww) maken (zww).

Slide 6 - Slide

Lezen
timer
15:00
Boek uit 19 maart!

Slide 7 - Slide

Doelen
Lezen in een boek 
19 maart opdracht

Grammatica
Zinsdeelzinnen

Slide 8 - Slide

Grammatica 11
Zinsdeelzinnen

blz 226

Slide 9 - Slide

Je leert de functie van zinsdeelzinnen.
- onderwerp
- lijdend voorwerp
- meewerkend voorwerp
- bijwoordelijke bepaling

Slide 10 - Slide

Onderwerp
Wie/wat iets doet, iets is

Hoort bij de PV en verandert mee

Slide 11 - Slide

Lijdend voorwerp
Ondergaat iets

Wie/wat + onderwerp + gez?

Slide 12 - Slide

Meewerkend voorwerp
diegene die iets ontvangt/of verneemt (ontvanger)

Aan wie/voor wie?

Slide 13 - Slide

Bijwoordelijke bepaling
Tijd, plaats, richting, reden, hoeveelheid

Waar? Wanneer? Hoe?

Slide 14 - Slide

11) Zinsdeelzinnen
Filmpje! --> Zo vind je welk zinsdeel de bijzin is

Bepaal wat de hoofdzin is door de zin vragend te maken: de hoofdzin komt dan vooraan te staan.
Geef het begin en het einde van de bijzin(nen) aan.
Vul in plaats van de bijzin(nen) een woord(groep) in.
Ontleed de hoofdzin en stel vast welk zinsdeel de ingevulde woordgroep is.
De bijzin is hetzelfde zinsdeel als de ingevulde woordgroep.

maken: opdracht 1 t/m 5
timer
20:00

Slide 15 - Slide

Huiswerk 
14-3-2025

Maken opdracht 1 1/m 4
 blz 226

Slide 16 - Slide