Een samengestelde zin kan bestaan uit: - twee of meer hoofdzinnen - een hoofdzin en één of meer bijzinnen - één of meer hoofdzinnen met één of meer bijzinnen
Slide 4 - Slide
Grammatica
Een samengestelde zin heeft altijd MINIMAAL ÉÉN HOOFDZIN.
Slide 5 - Slide
hoofdzin:
ow + pv staan altijd naast elkaar pv staat vooraan in de zin bijzin: ow + pv staan niet naast elkaar pv staat vaak achteraan in de zin
Slide 6 - Slide
Grammatica 10
Voegwoorden
blz 224
Slide 7 - Slide
Voegwoorden
Een voegwoord verbindt:
- twee woorden
- twee woordgroepen
- twee zinnen
Slide 8 - Slide
Nevenschikkende voegwoorden
Verbindt (meestal) twee woorden, twee woordgroepen óf twee hoofdzinnen.
De voegwoorden zijn: dus, en, maar, of, want
Slide 9 - Slide
Onderschikkende voegwoorden
Verbindt meestal een hoofdzin met een bijzin
De voegwoorden kunnen zijn: aangezien, als, dan, dat, doordat, hoewel, mits, nadat, of, omdat, opdat, tenzij, terwijl, toen, voordat, zodat, zodra
Slide 10 - Slide
Grammatica 11
Zinsdeelzinnen
blz 226
Slide 11 - Slide
Je leert de functie van zinsdeelzinnen.
- onderwerp
- lijdend voorwerp
- meewerkend voorwerp
- bijwoordelijke bepaling
Slide 12 - Slide
Onderwerp
Wie/wat iets doet, iets is
Hoort bij de PV en verandert mee
Slide 13 - Slide
Lijdend voorwerp
Ondergaat iets
Wie/wat + onderwerp + gez?
Slide 14 - Slide
Meewerkend voorwerp
diegene die iets ontvangt/of verneemt (ontvanger)
Aan wie/voor wie?
Slide 15 - Slide
Bijwoordelijke bepaling
Tijd, plaats, richting, reden, hoeveelheid
Waar? Wanneer? Hoe?
Slide 16 - Slide
11) Zinsdeelzinnen
Zo vind je welk zinsdeel de bijzin is
Bepaal wat de hoofdzin is door de zin vragend te maken: de hoofdzin komt dan vooraan te staan.
Geef het begin en het einde van de bijzin(nen) aan.
Vul in plaats van de bijzin(nen) een woord(groep) in.
Ontleed de hoofdzin en stel vast welk zinsdeel de ingevulde woordgroep is.
De bijzin is hetzelfde zinsdeel als de ingevulde woordgroep.
Slide 17 - Slide
Grammatica 12
Zelfstandig-, hulp- en koppelwerkwoord in samengestelde zinnen
blz. 228
Slide 18 - Slide
Zelfstandig werkwoord
Een zelfstandig werkwoord zegt wat iemand doet.
Heeft een duidelijke betekenis.
Staat in een zin met meer werkwoorden vaak achteraan.
Slide 19 - Slide
Koppelwerkwoord
Is het een naamwoordelijk gezegde? Doet het onderwerp iets of is het onderwerp iets?
In een zin staat óf een koppelwerkwoord óf een zelfstandigwerkwoord. NOOIT allebei!
Slide 21 - Slide
Hulpwerkwoord
Hulpwerkwoorden komen voor in elke zin met meer dan één werkwoord.
Je zou me best even kunnen helpen.
Slide 22 - Slide
Stappenplan
1. Verdeel de zin in enkelvoudige zinnen 2. Kijk is het een nw of ww gez. 3. Benoem de werkwoorden: koppelwerkwoord, zelfstandigwerkwoord + hulpwerkwoord(en)