Voegwoorden B1

Voegwoorden B1
Leerdoel: Je kent de betekenis van de voegwoorden. Je kunt de voegwoorden gebruiken. Je kunt goede zinnen ermee maken.  
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 35 min

Items in this lesson

Voegwoorden B1
Leerdoel: Je kent de betekenis van de voegwoorden. Je kunt de voegwoorden gebruiken. Je kunt goede zinnen ermee maken.  

Slide 1 - Slide

Wat hoort bij elkaar?
oorzaak
gevolg
reden
voor het moment
doordat
zodat
omdat
voordat

Slide 2 - Drag question

Wat is het verschil?
Voordat de les afgelopen is, ga ik naar huis.
Nadat de les afgelopen is, ga ik naar huis. 

Slide 3 - Slide

Wat is het verschil?
Ik werd woedend, omdat hij moest lachen.
Ik werd woedend, zodat hij moest lachen.

Slide 4 - Slide

Ik wacht op jou, _____ het tijd is.
A
doordat
B
totdat
C
voordat
D
nadat

Slide 5 - Quiz

Ik wacht op jou, _____ we moeten gaan.
A
omdat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 6 - Quiz

___________ ik ga douchen, doe ik de kraan aan.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 7 - Quiz

___________ het dak lekte, werd de vloer helemaal vies.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
doordat

Slide 8 - Quiz

Ik ging heerlijk op de bank liggen, ___________ ik thuisgekomen was.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 9 - Quiz

Ik sta hier, _______ jij mij ziet.
A
voordat
B
want
C
zodat
D
nadat

Slide 10 - Quiz

Wat hoort bij elkaar?
timer
1:00
gedurende de tijd dat
in de mate dat
als
maar niet als
tegenstelling
zolang
naarmate
mits
tenzij
hoewel
behalve

Slide 11 - Drag question

Wat is het verschil?
Je kunt naar het spreekuur van de dokter, mits je een afspraak hebt gemaakt.
Je kunt naar het spreekuur van de dokter, tenzij je geen afspraak hebt gemaakt.

Slide 12 - Slide

Wat is het verschil?
Naarmate zij langer sprak, werd hij steeds bozer.
Hij werd steeds bozer, tenzij zij langer sprak.

Slide 13 - Slide

Ik houd niet van lachfilms. Ik ga daarom mee naar de film, ________ het geen lachfilm is.
A
behalve
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 14 - Quiz

Ik houd niet van lachfilms. Ik ga daarom mee naar de film, ________ het een lachfilm is.
A
zolang
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 15 - Quiz

Je mag autorijden, __________ je 18 bent.
A
zolang
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 16 - Quiz

Je mag autorijden, __________ je nog geen 18 bent.
A
zolang
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 17 - Quiz

________ het langer sneeuwde, werd het steeds witter.
A
zolang
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 18 - Quiz

____________ het echt heel koud is, ga ik toch buiten koffie drinken.
A
aangezien
B
naarmate
C
hoewel
D
tenzij

Slide 19 - Quiz

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis, tenzij

Slide 20 - Open question

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis, aangezien

Slide 21 - Open question

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis, hoewel

Slide 22 - Open question

Kun je de zin afmaken?
Ik zal je helpen, mits

Slide 23 - Open question

Ik begrijp hoe ik de voegwoorden kan gebruiken.
😒🙁😐🙂😃

Slide 24 - Poll