Voegwoorden RS1

Voegwoorden / signaalwoorden 
Leerdoel: Je kent de betekenis van de voegwoorden. Je kunt de voegwoorden gebruiken. Je kunt goede zinnen ermee maken.  
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 35 min

Items in this lesson

Voegwoorden / signaalwoorden 
Leerdoel: Je kent de betekenis van de voegwoorden. Je kunt de voegwoorden gebruiken. Je kunt goede zinnen ermee maken.  

Slide 1 - Slide

Welke soorten 
 tijd
oorzaak - gevolg
contrast
reden

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Wat hoort bij elkaar?
oorzaak
gevolg
reden
voor het moment
doordat
zodat
omdat
voordat

Slide 4 - Drag question

...... ik naar bed ga, poets ik mijn tanden
...... we gegeten hadden, gingen we een wandeling maken
.... zij tv keek, maakte hij het huis schoon
we gingen eerst zwemmen en ......... aten we een ijsje
........ ik meer sport, voel ik me veel fitter
voordat
nadat
terwijl
daarna
sinds

Slide 5 - Drag question

Wat is het verschil?
Voordat de les afgelopen is, ga ik naar huis.

Nadat de les afgelopen is, ga ik naar huis. 

Slide 6 - Slide

Wat is het verschil?
Ik werd woedend, omdat hij moest lachen.

Ik werd woedend, daardoor moest hij lachen.

Slide 7 - Slide

Ik wacht op jou, _____ we samen naar huis moeten gaan.
A
omdat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 8 - Quiz

___________ ik ga douchen, doe ik de kraan open.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 9 - Quiz

___________ het dak lekte, werd de vloer helemaal vies.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
doordat

Slide 10 - Quiz

Ik ging heerlijk op de bank liggen, ___________ ik thuisgekomen was.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 11 - Quiz

Hij is te laat, _______ de bus vertraging had.
A
voordat
B
want
C
doordat
D
nadat

Slide 12 - Quiz

Ik ga naar school met de fiets mits .....



Ik ga naar school met de fiets tenzij ......................

Slide 13 - Slide

Wat is het verschil?
Je kunt naar het spreekuur van de dokter, mits je een afspraak hebt gemaakt.
Je kunt naar het spreekuur van de dokter, tenzij je geen afspraak hebt gemaakt.

Slide 14 - Slide

Ik houd niet van lachfilms. Ik ga daarom mee naar de film, ________ het geen lachfilm is.
A
behalve
B
omdat
C
mits
D
tenzij

Slide 15 - Quiz

Ik houd niet van lachfilms. Ik ga daarom mee naar de film, ________ het een lachfilm is.
A
zolang
B
omdat
C
mits
D
tenzij

Slide 16 - Quiz

Kun je de zin afmaken?
Ik ga vroeg naar huis, omdat

Slide 17 - Open question

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis, maar

Slide 18 - Open question

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis, terwijl

Slide 19 - Open question

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis nadat

Slide 20 - Open question

Kun je de zin afmaken?
Ik zal je helpen, mits

Slide 21 - Open question

..... ik mijn huiswerk maakte, luisterde ik naar muziek
...... het hard regende, werd mijn kleding helemaal nat
het regende hard, .......... kwamen we te laat
Ik wilde naar buiten ........ het was te koud
...... de hulp van mijn vriend heb ik de toets gehaald
Ik neem een jas mee, ................. het kan koud worden
Ik had geen geld meer, ................. kon ik de schoenen niet kopen
...... de les moest iedereen stil zijn
tijdens
terwijl
doordat
daardoor
dankzij
maar
want
daarom

Slide 22 - Drag question

Ik begrijp hoe ik de voegwoorden kan gebruiken.
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll