les 64 - 13/06/2022 Lijdend en meewerkend voorwerp

1 / 15
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

In welke zin staat een lijdend voorwerp?
A
Il lui promène.
B
Il le cherche.

Slide 2 - Quiz

On vend cette maison.
Wie of wat is het lijdend voorwerp?
A
cette maison
B
vend
C
On
D
er is geen lijdend voorwerp

Slide 3 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp:
J'achète un nouveau jean.
A
un nouveau
B
jeans
C
un nouveau jeans
D
J'achète

Slide 4 - Quiz

Wat is het lijdend vw in de zin?

Je connais cette actrice.
A
Je
B
Je connais
C
actrice
D
cette actrice

Slide 5 - Quiz

Waar kun je een lijdend voorwerp door vervangen?
A
un, une, des
B
le, la, l', les
C
du, de la, de l', des
D
c'est

Slide 6 - Quiz

Vervang het lijdend vw;

Elle met le jean
A
elle la met
B
elle le met
C
elle met la
D
elle lui met

Slide 7 - Quiz

Vervang het lijdend voorwerp:

Je connais le garçon.
A
je le connais
B
je la connais
C
je l'connais
D
je les connais

Slide 8 - Quiz

Vervang het lijdend voorwerp:


J'écris une lettre
A
Je lui écris
B
Je l'écris
C
J'écris le
D
Je le écrire

Slide 9 - Quiz

Vervang het lijdend vw:

Ils mangent une pomme.
A
Ils le mangent
B
Ils la mangent
C
Ils mangent la
D
Ils mangent le

Slide 10 - Quiz

Vervang het lijdend voorwerp:

Je mange la pizza.
A
Je le mange
B
Je la mange
C
Je l' mange
D
Je les mange

Slide 11 - Quiz

Vervang het lijdend voorwerp:

Elle met le pantalon.
A
Elle le met
B
Elle la met
C
Elle l' met
D
Elle les met

Slide 12 - Quiz

Vervang het lijdend voorwerp:

Je mets les vêtements.
A
Je le mets
B
Je la mets
C
Je l' mets
D
Je les mets

Slide 13 - Quiz

Waar plaats ik het lijdend voorwerp in de zin?
A
voor de persoonsvorm
B
na de persoonsvorm

Slide 14 - Quiz

Waar plaats ik het lijdend voorwerp in de zin, als er nog een tweede werkwoord in de zin staat?
A
voor de persoonsvorm
B
na de persoonsvorm
C
voor het tweede werkwoord
D
na het tweede werkwoord

Slide 15 - Quiz