§6 Trappen van vergelijking



Wat gaan we doen vandaag?

Doel van de les=trappen van vergelijking
Tien minuten stil lezen
Terugblik vorige les
Huiswerk bespreken
Start nieuw onderwerp


Aan het werk
 

Telefoon in de kluis? Je jas over de stoel. IPad in de tas
1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 16 slides, with text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson



Wat gaan we doen vandaag?

Doel van de les=trappen van vergelijking
Tien minuten stil lezen
Terugblik vorige les
Huiswerk bespreken
Start nieuw onderwerp


Aan het werk
 

Telefoon in de kluis? Je jas over de stoel. IPad in de tas

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Link

Slide 3 - Video

Slide 4 - Slide

 Wat moeten jullie straks kennen en kunnen?

Oftewel, wat is het doel van deze les?

Na deze les weet je hoe je de trappen van vergelijking kunt gebruiken in combinatie met als en dan en het juiste persoonlijk voornaamwoord

Slide 5 - Slide

In de zin Een hond is snel, een antilope is sneller en een jachtluipaard is het snelst zie je de trappen van vergelijking van het bijvoeglijk naamwoord snel:


de stellende trap: snel;
de vergrotende trap, die eindigt op er: sneller;
de overtreffende trap, die eindigt op st(e): snelst(e).

Slide 6 - Slide

Ook bij andere bijvoeglijke naamwoorden komen de trappen van vergelijking voor. ( blz.240) 


Slide 7 - Slide

De woorden goed, graag, veel en weinig hebben een afwijkende vergrotende en overtreffende trap: goed – beter – best; graag – liever – liefst; veel – meer – meest; weinig – minder – minst.

‘… als mij’ of ‘… dan ik’?
Vaak wordt na als of dan het verkeerde persoonlijke voornaamwoord gekozen:
– *Jij bent even groot als mij. Dat is fout. Het moet zijn: Jij bent even groot als ik.

Slide 8 - Slide

Om te weten welk woord je hier moet gebruiken, maak je de zin langer door hem aan te vullen met een passende persoonsvorm:
– Robin is net zo sterk als hij (is), maar sterker dan ik (ben).
– De caissière rekent sneller dan jij (rekent), maar niet zo snel als wij (rekenen).

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Video

Slide 11 - Link

Aan de slag

Slide 12 - Slide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Maakwerk is ook leerwerk. Als je de theorie niet snapt, kun je ook de opdrachten niet( goed) maken.



Staat er: markeer, omcirkel of onderstreep in de opdracht, dan mag je het MET POTLOOD in je werkboek maken. 
De rest maak je in je schrift

Slide 13 - Slide

Maken:

 Cursus 6
§ 6 Trappen van vergelijking
blz. 240
opdr. 1 t/m 8

opdracht 5 alleen op fluistertoon, 
anders maak je het alleen

Slide 14 - Slide

Even checken. Wie vertelt mij nog even wat we zojuist hebben gehoord?


Geen vingers, ik geef de beurt aan ..............................................

Slide 15 - Slide

H1E- 2022-2023

Slide 16 - Slide