This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Klas 3 Chapitre 4 - herhaling Ch 1-3
Slide 1 - Slide
Bijvoeglijk naamwoord
Plaats: achter znw, behalve de lijst met woorden die ervoor komen (zie gramm D CH 1)
Vorm: hangt af van znw waar het bij hoort -->
Slide 2 - Slide
Vorm bijvoeglijk naamwoord
Mannelijk EV Niets Le grand garçon
Vrouwelijk EV + E La grande fille
Mannelijk MV + S Les grands garçons
Vrouwelijk MV + ES Les grandes filles
Slide 3 - Slide
Wat is juist?
A
Les dames grands
B
Les grandes dames
C
Les grandes hommes
D
Les hommes grandes
Slide 4 - Quiz
Afwijkende vormen
Sommige vormen hebben een afwijkende vorm:
Op - if --> -ive (sportif --> sportive)
Op -x --> -se (délicieux --> délicieuse)
Op -ien --: -ienne (italien --> italienne)
Slide 5 - Slide
En deze onregelmatige....
Beau - belle - beaux - belles
Nouveau - nouvelle - nouveaux - nouvelles
Vieux (vieil) - vieille - vieux - vieilles
Bon - bonne - bons - bonnes
Slide 6 - Slide
Let op...
Eindigt een BVN al op een -e of -s / -x?
Dan geen extra -e (voor vrouwelijk) of extra -s (voor meervoud
un homme timide - une femme timide
Un t-shirt gris - des t-shirts gris
Slide 7 - Slide
Welk vorm is juist? Het mooie meisje
A
La fille beaue
B
La bonne fille
C
La fille belle
D
La belle fille
Slide 8 - Quiz
Welke vorm is juist?
A
Les profs sérieus
B
Les sérieuxes profs
C
Les profs sérieux
D
Les sérieus profs
Slide 9 - Quiz
Wat is juist? In het Frans.........
A
Een zelfstandig naamwoord past zich aan aan het bijvoeglijk naamwoord
B
Alle bijvoeglijke naamwoord komen achter het zelfstandig naamwoord
C
Wanneer een woord eindigt op een -s, is het altijd meervoud
D
Wanneer een bijv. naamwoord eindigt op een -e, hoeft er geen extra -e achter voor V
Slide 10 - Quiz
Voorzetsel à of de + bepaald lidwoord
Slide 11 - Slide
Let op de samenvoegingen van voorzetsel en lidwoord:
à = in/naar/bij
de = van (over)
LE
LA
L'
LES
À
au
à la
à l'
aux
DE
du
de la
de l'
des
Slide 12 - Slide
Welke vorm kies je? Je vais ......(naar de)..............grande piscine
A
du
B
au
C
à la
D
de la
Slide 13 - Quiz
C'est le papa ......(van de)........copain de Marc
A
du
B
de l'
C
aux
D
des
Slide 14 - Quiz
Passé composé met avoir / être
Het voltooid deelwoord bestaat uit 2 delen:
Het hulpwerkwoord (een vorm van avoir / être)
Het voltooid deelwoord
Slide 15 - Slide
Vorm
Leer de présent van avoir / être goed (verbuga.eu)
PC regelmatige werkwoorden eindigt altijd hetzelfde:
ww op -er (parler) --> -é (parlé)
ww op -ir (finir) --> -i (fini)
ww op -re (attendre) -->-u (attendu)
PC onregelmatige werkwoorden moet je leren:
Avoir --> eu (gehad), être --> été (geweest), Aller --> allé (gegaan), faire --> fait (gedaan/gemaakt)
Slide 16 - Slide
Let op: bij hulpww être!
Wanneer het hulpww être (zijn) is, dan past het voltooid deelwoord zich aan aan het onderwerp (volgens dezelfde regel als van het bijvoeglijk naamwoord): Achter het voltooid dlw komt:
M ev
v ev
m mv
v mv
niets
+e
+s
+es
Slide 17 - Slide
Dus...
Il est allé à la piscine
Elle est alléeà la piscine
Nous sommes allés à la piscine
Elles sont allées à la piscine
Woorden van beweging (huis van être) en wederkerende ww (met 'zich'/ 'se') worden altijd vervoegd met hulpww être~!
Slide 18 - Slide
Wat is juist?
A
Marc a fait l'exercice
B
Lucie est allés au cinéma
C
Lucia a faite l'exercice aussi
D
Marc et Luc sont parti hier
Slide 19 - Quiz
Wat is juist?
A
Les femmes sont venus à la fête
B
Les filles sont parties tôt
C
Les garçons ont eu une bonne journée
D
Les hommes sont allées à la fête aussi
Slide 20 - Quiz
Waar vind ik de grammaire?
Chapitre 1,2,3 - Bron D en H
Achterin je boek bij de groene pagina's, bij het grammatica onderdeel.